Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slinks - (arglistig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

slinks bn. ‘arglistig’
Mnl. slinc ‘links’ [1240; Bern.], op haer slinke scoudre ‘op haar linker schouder’ [1276-1300; VMNW], Met slinker informacien ‘met verkeerde informatie’ [1460-80; VMNW], slyngks, lyncks ‘links’ [1477; Teuth.]; vnnl. slinks soms nog ‘links’ in van slincx tot recht, ende doen weder van rechts tot slincx [1515; MNW], meestal ‘verkeerd, slecht, vals, arglistig’ in Tslinxs gheselschap vol alder onseghen ‘het slechte, rampzalige gezelschap’ [1561; iWNT], Een slincx onweder ‘een verschrikkelijk onweer’ [1612; iWNT]; nnl. Slinkse practyquen ‘valse praktijken’ [1740; iWNT].
Afleiding met bijvoeglijke en bijwoordelijke -s (zie → -s 1 en → -s 2) van mnl. slinc ‘links; verkeerd’. Verdere herkomst onzeker. Mogelijk een anlautvariant van mnl. linc ‘links’, zie → links (FvW, NEW), of verwant met → slinken (Toll.), met een betekenisontwikkeling van ‘krom, ineengekronkeld’ naar ‘verkeerd, slecht’ en vandaar ‘links’. Het betekenisveld ‘verkeerd, onhandig e.d.’ wordt wel vaker gekoppeld aan een woord voor ‘links’, zie ook → link 2 en → sinister.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

slinks* [arglistig] {slyncks 1477} met het bijwoord vormende achtervoegsel s van middelnederlands slinc [linker, links, averechts, listig], anlautvariant van link, dat vroeger een veel grotere verbreiding had, vgl. sneb naast neb (vgl. links1).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

slinks bnw., mnl. slincs naast slinc, ohd. slinc (éénmaal) ‘linker’, staat met mobiele s naast linker.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

slinksch bnw. Door opzettelijke spellingdifferentiëering opgekomen naast het bijw. slinks, mnl. slincs “links”, bijwoord bij slinc “linker, slinksch” (nog zuidndl. dial.) = ohd. (hapax) slinc “linker”. Anlautvariant van linker. Voor andere vormen met s- vgl. slinken. Uit ’t Germ. ofr. esclenche “linkerhand”. Met ablaut vla. slonk, slunk “linksch, krom, scheef, lomp, doortrapt”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

slinksch bijv., Mnl. bijw. slincs, bijv. slinc: staat tot linksch als snebbe tot neb.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

slinks: bedrieglik, geslepe, skelm, slu; Ndl. slink (Mnl. slinc, “linker”, wu. b.nw. slinks(ch) en bw. slinks, vroeër “links”, later “geslepe, slu”) hou verb. m. linker, links en Eng. slink, “kruip, sluip”, allerlei Idg. verw. voorgestel, maar onseker; by vRieb nog slinckerhandt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

slinks ‘arglistig’ -> Duits dialect † slinksk ‘arglistig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

slinks* arglistig 1477 [Teuth.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut