Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slinken - (inkrimpen, minder worden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

slinken ww. ‘inkrimpen, minder worden’
Mnl. slinken ‘minder worden, afnemen’ in Om dat hi sijn hoecheit sal laten slincken ‘opdat hij minder hoogmoedig zal worden’ [1400-20; MNW-R], slyncken “ontswellen” [1477; Teuth.].
Mnd. slinken ‘slinken’; nfri. slinke ‘slinken’; oe. slincan ‘kruipen’ (ne. slink); nzw. slinka ‘glippen, glijden’; < pgm. *slinkan-.
Wrsch. ontwikkeld uit een variant pie. *sleng- van de wortel *slenk- ‘glijden’, zie → slingeren. De betekenisontwikkeling kan dan via ‘kruipen’ en ‘zich krommen, ineenschrompelen’ zijn verlopen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

slinken* [minder worden] {1351} nevenvorm van middelnederlands slingen (vgl. slingeren, slank).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

slinken ww., mnl. slinken, mnd. slinken ‘slinken, kleiner worden’, oe. slincan (ne. slink) ‘sluipen’, nzw. slinka ‘zich vlijen, snel kruipen, glijden, sluipen’. — Het beste op te vatten als een wortelvariant naast de groep van slinger, dus idg. *sleng naast *slenk (IEW 962) vgl. nwfri. slinke en slinge ‘slenk, geul in het land (W. de Vries Ts 40, 1921, 97). — zie ook slank.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

slinken ww., mnl. slinken (zeldzaam; ook = “doen slinken”). = mnd. slinken “slinken, kleiner of minder worden”, ags. slincan “kruipen” (eng. to slink “sluipen”), zw. slinka “zich vlijen, snel kruipen, glijden, sluipen”. Ofschoon mnl., mnd. slinken wat de bet. aangaat met lat. langueo “ik ben slap, ben moe, kwijn” verwant zou kunnen zijn, moeten we veeleer voor al de opgenoemde vormen een grondbet. “zich krommen, zich buigen” aannemen, waaruit eenerzijds “kronkelen,kruipen”, anderzijds “samenkrimpen” ontstond. Met ablaut slank. Met ’t oog op ags. hlonc “slank” (eng. lank), mnl. linken “buigen, vouwen” enz. (zie linker) ligt de afl. van germ. sliŋk-, slaŋk- uit idg. sqleŋg-, sqloŋg- (voor de consonanten vgl. sluiten) voor de hand, dat dan met lat. clingo “cingo” of “cludo” en hoogerop met scheel II te combineeren is; met basisauslaut q vgl. obg. klęčati “knielen”. Evenwel is ook idg. sleŋg- en verwantschap met oi. sráj- (nomin. srák) “windsel, krans” mogelijk, waarbij nog oi. laŋga- “lam”, zw. dial. linka, slinka “lam zijn, hinken”, lat. langueo “ik ben slap”, gr. laggázō “ik talm”, lit. lingůˊti “waggelen, heen en weer bewegen” gebracht worden. Dit alles is zeer onzeker. Nog onzekerder is ’t, dat ook – zonder nasaal – de basis van slaken hierbij zou hooren. Zie nog linker. Tusschen de germ. woordgroepen van slinken en slingeren bestaan aloude verwantschaps- of jongere associatieve betrekkingen. Ten onrechte is men voor de bij beide genoemde germ. en balt. woordgroepen van een idg. basis met i, ei uitgegaan, ohd. slîhhan enz. (zie slijk) en lit. slë͂ikas enz. (zie slee II) combineerend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

slinken ono.w., Mnl. id. + Eng. to slink, Zw. slinka, waarnevens Mnl. linken, Ags. hlonc (Eng. lank) = slank: oorspr. onzeker.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Slank, van slinken = inkrimpen, dunner worden; bijv. de voorraad slinkt, de opgezette wonde slinkt; vandaar is slank: dun, buigzaam, lenig.

Slinken, „de voorraad slinkt”; „het gezwel slinkt”, enz. bet. hier inkrimpen, verminderen; zie Slank. Een andere bet. komt overeen met slingen (zie Slingeren), n.l.: krom, buigend gaan (denk aan slang) en wel: kromme of omwegen maken, om niet gezien te worden: „slinksche” wegen gaan. Vandaar kreeg het de bet. van „sluipen. Hierbij behoort het bijv.nw. slinksch, evenals linksch (in plaats van slinksch, evenals neb voor sneb); dit laatste, n.1. linksch, in gunstigen zin, en wel als: buigzaam, slap, niet zoo krachtig als de rechterhand.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

slinken* minder worden 1351 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut