Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slinger - (zwaai; draaiende arm waarmee een werktuig of toestel wordt bewogen of in werking gebracht; slingere

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

slingeren ww. ‘(doen) kronkelen, heen en weer (doen) zwaaien’
Mnl. slingeren ‘met stenen slingeren, stenen werpen’ in Si consten slingheren al ghemene. Met beden handen so wel met stene. Dat si gherochten wel een haer ‘zij konden allemaal met beide handen zo goed met stenen slingeren dat ze wel een haar raakten’ [1285; VMNW]; vnnl. slingeren ‘krachtig van richting doen veranderen’ in met ... slingeren vande Seylen [1585; iWNT], ‘heen en weer zwaaien, (doen) kronkelen’ in het slingherende schip ‘het om zijn lengteas heen en weer bewegende schip’ [1599; iWNT], gaen slingeren by der straten ‘slingerend door de straten lopen (van dronkenschap)’ [ca. 1600; iWNT overladen II], slingerde zyn' troepen om 't huis te Koeverde [1642; iWNT], Het Eert-veel, of Klim, dat zijn selven vlecht ende slingert om de boomen ‘de aardveil of klimop, die zich vlecht en slingert om de bomen’ [1688; iWNT].
Naast slingeren staat een sterk werkwoord slingen ‘kronkelen, kruipen’, dat in het Hoogduits heel gewoon is, maar in het Middelnederlands al vrijwel uitgestorven is: Slyngen als die slangen [1477; Teuth.]. Slingeren is dus wrsch. geen frequentatief, maar een afleiding van het oude zn. slinger ‘werktuig om stenen mee te werpen’ (mnl. slingere [1240; Bern.]), dat wél afgeleid kan zijn van slingen. Andere betekenissen van slingeren verschijnen pas in het Vroegnieuwnederlands.
Bij slingen: mnd. slingen ‘kruipen, kronkelen, winden, vlechten, kronkelen’; ohd. slingan ‘vervallen’ (mhd. slingen ‘kruipen; winden enz.’, nhd. schlingen); oe. slingan ‘glijden, kronkelen’ (eng. sling); on. slyngva, slyngja ‘zwaaien, slingeren, werpen’ (nno. slenga ‘rondhangen, (rond)slingeren’); < pgm. *slingwan-.
Wrsch. is ‘kruipen, glijden, kronkelen (van dieren)’ de oorspr. betekenis. Verwant zijn dan wrsch.: Litouws sliñkti (1e pers.ev. slenkù) ‘kruipen; vervallen, vergaan’, slankà ‘kruiperige persoon, luiaard’, slánka ‘houtsnip’ (die zich overdag vooral ophoudt in onderbegroeiing); Russisch dial. slúka ‘id.’; Welsh llyngyr ‘wormen’; < pie. *slenkw-, *slonkw- (LIV 567). Hierbij met pie. *-o- ook → slang 1.
slinger zn. ‘slingerbeweging; slingerend(e) voorwerp of vorm’. Vnnl. met een slinger ‘met een slingerbeweging’ [1610-19; iWNT]; nnl. Uurwerken ..., die ... door een slinger, bewogen worden [1724; iWNT], slingers ‘slingerende versiering’ [1806; iWNT]. In deze betekenissen afgeleid van slingeren. Voor slinger ‘werktuig om stenen mee te werpen’ zie boven.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

slinger znw. m., mnl. slingher(e) v., os. slingira, mhd. slinger ‘slinger’; daarnaast Kiliaen slinghe, mnd. slinge, ohd. slinga (nhd. schlinge) ‘slinger’, ofri. slinge v. ‘sleep’. — Afl. van het ww. Kiliaen slinghen ‘met een slinger werpen, kruipen, voortkronkelen’, Teuth. slyngen ‘kruipen, voortkronkelen’, mnd. slingen ‘kronkelen, winden’, ohd. slingan (nhd. schlingen), oe. slingan ‘kruipen, zich kronkelen’ (ne. sling ‘werpen, slingeren’), on. slyngja, slyngva ‘werpen slingeren’ (vgl. sløngva > *slangwjan ‘werpen’ evenals mnd. ohd. slengen). — lit. slenkù ‘sluipen, kruipen’ slinká, slanká ‘sluiper, luiaard’ (IEW 961). — Zie: slingeren en slinken en verder: slang en slungel.

Daarnaast staat nog Teuth slenger, os. ohd. slengira v. ‘werktuig om stenen te slingeren’. Dit is dus afgeleid van slengen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

slinger znw., mnl. slingher(e) v. = mhd. slinger, os. slingira v. “slinger, slingerwerktuig”. Komt evenals Kil. slinghe, ohd. slinga (nhd. schlinge), mnd. slinge v. “id.”, ofri. slinge v. “sleep” van het ww. Kil. slinghen “met een slinger werpen, kruipen, voortkronkelen”, Teuth. slyngen “kruipen, voortkronkelen”, ohd. slingan “id.” (nhd. schlingen), mnd. slingen “id., winden”, ags. slingan “kruipen, zich kronkelen” (eng. to sling = “slingeren, werpen”), on. slyngva “werpen, slingeren, winden”; oorspr. bet.: “in bochten bewegen”. Ouder dan slinger is Teuth. slenger, ohd., os. slengira v. “werktuig om (steenen) te slingeren”. Verder zijn on. sløngva v. “slinger”, slang en slungel verwant en buiten het Germ. lit. slenkù, sliñkti “sluipen, kruipen”, oi. sráŋkate “gatau” (Dhâtupàtha); ook obg. sląkŭ “krom”? of staat ’t voor sŭ-ląkŭ (zoo Ostromir) en is hoogerop verwant? Voor andere verwanten zonder s- zie -lings. Zie nog bij slinken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

slin’ger (de, -s), katapult. Jonge kinderen begrijpen het meestal niet en willen me [een slang] vaak met een slinger of buks doodschieten (Barron 1981b: 34). - Etym.: In hist. AN en vermoedelijk ook SN was een s. (S sling) eertijds een werptuig zonder elastisch element. - Syn. slingshot*, sjinsjaart*.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

slinger ‘zwaai; draaiende arm waarmee een werktuig of toestel wordt bewogen of in werking gebracht; slingerende versiering; pendel van uurwerk’ -> Indonesisch selénger, slénger ‘draaiende arm om een werktuig mee aan te slingeren’; Indonesisch seling ‘hanger, strop om lading in een schip te hijsen’ (uit Nederlands of Engels); Keiëes seleng ‘draagjuk, slinger aan kraan of lier om lasten te laden of te lossen’; Kupang-Maleis salengger, slengger ‘draaiende arm om een werktuig mee aan te slingeren’; Makassaars silêng, selêng ‘slinger aan kraan of lier om lasten te laden of te lossen’; Sasaks sĕlingĕr ‘slinger van een auto’; Creools-Portugees (Ceylon) slêngar ‘schuinte’; Papiaments slenger ‘versiering; pendel van uurwerk’; Sranantongo slenger, srengi ‘draaiende arm om een werktuig mee aan te slingeren; katapult’; Sarnami slengar ‘katapult’; Surinaams-Javaans slènger ‘katapult’ .

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1350. Leer om leer,

d.w.z. gelijk met gelijk vergelden, met gelijke munt betalen; dikwijls met de toevoeging: sla je mij, ik sla je weer (Harreb. II, 12a); mnd. ladder um ladder. Vgl. oog om oog, tand om tand; het lat. par pari referre; hd. Wurst wider Wurst; fr. rendre fève pour pois; eng. tit for tat; to give Roland for an Oliver. In de 16de eeuw komt de zegswijze voor in het Antw. Liedb. 117: Wi willen gaen spelen leer om leer. In de 17de eeuw ook met het achtervoegsel, zooals blijkt uit Taal en Letteren IV, 180, waar geciteerd wordt uit een werk van 1613: Aldus spelen sy (volgens t' gemeen spreekwoort) leder om leder, slaet ghy my, ick sla u weder; Brederoo, Moortje, vs. 1279: Somma speelt leer om leer, en gheeft haar waar om waar; Hooft, Brieven, 462; Rusting, 501; Sewel, 442: Dat is leer om leer, dat is betaald gezet, that is like for like; Halma, 306: Ik zal u leer om leer geeven, je vous rendrai pain pour fouace; Ndl. Wdb. VIII, 1208: Villiers, 72; enz. Syn. is de uitdr. lap om leer (17de eeuwV.d. Venne, 257: 't Is lap om leer, smijtje mijn, ick beuckje weer.), die hier en daar nog gebruikt wordt; zie Ganderheyden, Groningana, 35 b en Tuinman I, 297: 't Wil zeggen, een schoelap om een zool, d.i. lood om oud ijzer. In Westvlaanderen schijnt de uitdr. te beteekenen ‘om het zeerst’; zie De Bo, 1036 b, die haar gebruikt ter verklaring van slag om slinger. In het oostfri.: lër um lër (sleist du mi, sla ik di wër); fri. lear om lear.

2074. Zijn slinger hebben,

syn. van zijn draai hebben, schik, pleizier hebben (zie no. 485). Zijn slinger over iets hebben, er pret over hebben. Vgl. Handelsblad, 20 Nov. 1914, p. 2 k. 6: Ik heb maar m'n slinger als ik die mannetjes (Engelsche geïnterneerden) zie tippelen; 26 Januari 1915 (ochtendbl.), p. 5 k. 1: ‘Ik ga jou in de lucht laten vliegen’, deelt hij den schildwacht mee. ‘Daar heeft hij nou z'n slinger in’ licht de landweerman mij weer toe; Menschenwee, 292; Trien... die aêre... nee... die ha' d'r slinger!; bl. 313: Wa' he'k main slinger!... dá' kost 'm sain heule stal!... lolde zenuwachtig 'n ander; V. Ginneken II, 464: hij heeft zijn slinger, hij heeft het naar zijn zin; Maastricht: šlinger höbbe of šlingertig vindeN. Taalgids XIV, 198..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal