Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slim - (schrander)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

slim bn. ‘schrander’
Mnl. slem(p), slim ‘scheef, schuin’ in Den mont ... ginc op ... Ende stont slem, opward wide ontdaen ‘De muil ging open en stond scheef, wijd geopend naar boven’ [1315-35; MNW-R], de stucke dwers snijden ende niet slim ‘de stukken recht doorsnijden en niet scheef’ [eind 14e eeuw; MNW], Hine pijnde hem niet tzu varen slemp ‘hij deed zijn best om niet verkeerd te reizen’ [1400-50; MNW], slym ‘scheef’ [1477; Teuth.]; vnnl. slim ‘verkeerd, slecht, onoprecht, bedenkelijk’ in Datmen nu gaet deze slimme gangen ‘dat men nu deze verkeerde wegen bewandelt’ [1526-67; iWNT], Zijn wy niet slimmer als die Heydes? ‘zijn wij niet (nog) slechter dan de heidenen?’ [1557; iWNT], ‘schrander, vindingrijk’ in Sy zijn seer slim in coopmanschap met haer te drijven [1602; iWNT].
Mnl. sclemp ‘welbespraakt’ [1240; Bern.] lijkt hetzelfde woord (VMNW), maar heeft een betekenis die niet in overeenstemming is met die periode; mogelijk zijn hier twee glossen met elkaar verward (Bern., 4531). Oudnormandisch esclem ‘scheef, schuin’ [12e eeuw; FEW] en Oudfrans esclame ‘in slechte staat’ [1192; FEW] zijn leenwoorden en impliceren reeds onl. *slim(p).
Mnd. slim ‘schuin, krom; gering, waardeloos’ (vanwaar door ontlening nde. slem ‘slecht, erg’); ohd. slimb ‘schuin, krom’ (nhd. schlimm ‘slecht, onaangenaam, kwaad e.d.’); < pgm. *slimba- ‘schuin’.
Verdere herkomst onbekend. Misschien een genasaleerde vorm bij → slijpen in de oorspr. betekenis ‘glijden, schuiven’ (Kluge). Misschien verwant met Lets slìps ‘schuin’ < *slimpas en slîpt ‘glijden, afdalen’.
De oorspr. betekenis is ‘schuin, scheef’. Doordat scheef vaak contrasteert met dat wat recht of goed is, kon zowel in het Duits als in het Nederlands de betekenis overgaan in ‘slecht, verkeerd e.d.’. In het Vroegnieuwnederlands heeft deze laatste betekenis zich verder ontwikkeld van ‘sluw, gewiekst’ tot ‘slim’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

slim* [schrander] {slim(p), slem(p) [scheef, schuin, verkeerd, erg] 1201-1250; de huidige betekenis 1602} ablautend middelnederlands slom [krom, scheef, verdraaid, 16e-eeuws onhandig], middelhoogduits slimp [scheef], hoogduits schlimm [erg]; buiten het germ. lets slīps [scheef]. De betekenis ging van ‘scheef’ via ‘slinks’, ‘geslepen’ naar ‘schrander’.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

slim

Evenals bij het woord leep moeten wij uitgaan van de grondbetekenis: scheef, krom, schuin. In de 17e eeuw betekent slim van lijf: misvormd, gebocheld, scheef. Figuurlijk gaat slim dan betekenen: slecht, verkeerd en van personen: onoprecht, gemeen, boos. Zo spreekt Anna Bijns over Luther als een man die slimme gangen ging en bij Hooft lezen wij: Noyt was er beter slaef, noyt was er slimmer heer. De betekenisovergang naar: slim, geslepen is dan heel eenvoudig. Dan verliest het woord langzamerhand de ongunstige bijbetekenis en wat overblijft is: vlug van bevatting, schrander, vlug in het bedenken van hulpmiddelen en uitwegen, in het oplossen van raadsels enz.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

slim bnw., mnl. slim, slem ‘scheef, schuin’ sedert Kiliaen ook ‘gemeen, doortrapt’ (die hij echter ‘vetus’ noemt!), mnd. slim ‘scheef, schuin, slecht’, mhd. slimp ‘scheef, schuin’ (nhd. schlimm); ne. slim ‘dun, nietig’ is ontleend aan nnl. of nnd. (sedert 1657, vgl. Bense 397) — Daarnaast abl. 1. laat-mnl. slom. ‘scheef, onhandig’, Kiliaen noemt het Fland. en inderdaad nog in het vla. bekend; misschien niet abl. maar een jongere klinkervariant, waarbij men niet met van Haeringen Suppl. 152 aan krom behoeft te denken; 2. ne. dial. slamber ‘slank’, beiers schlemmig ‘scheef’ en ne. dial. slam ‘kant van een heuvel’; 3. on. slæma ‘scheef houwen’. Verwante woorden zijn nauwelijks aan te wijzen; FW 618 noemt lett. slîps ‘scheef, steil’. — De in het germ. zeer sterk vertegenwoordigde woordengroep wijst op herkomst uit de huisbouw: het schuins behouwen van de balken voor de dakstoel; misschien mag men denken dat een germ. *slē: slō een afl. is van de wt. *sel, waarvoor zie zaal.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

slim bnw., mnl. slim (slem; mm) “scheef, schuin” (zoo nog dial.), sedert Kil. ook “gemeen, doortrapt”. NB. de bet. “vilis” noemt Kil. “vetus”. = mhd. slimp (b) “scheef, schuin” (nhd. schlimm; ohd. reeds slimbî v. “scheefheid”), mnd. slim (mm) “id., slecht (van kleeren e.dgl. en ook van menschen)”. Eng. slim “dun, nietig, gering” is ontleend van het continent. Met ablaut: 1. laat-mnl. slom “scheef, onhandig”, door Kil. “Fland.” genoemd, nog in ’t Vla. bekend, 2. eng. dial. slamber “slank”, bei. schlemmig “scheef”, zonder b eng. dial. slam “kant van een heuvel” en ook 3. on. slø̂ma “in de schuinte houwen”. Verwant is lett. slîps “scheef, steil”(*slimpa-s; te scheiden van lit. nù-slimpa “hij sluipt weg, ontkomt stilletjes”). Met ’t oog op de verschillende in allerlei streken voorkomende germ. ablautvormen is het wsch., dat deze ablaut oud is; idg. slemp- is blijkbaar een verlenging van slem-.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

slim. Het laat en geogr. beperkt voorkomende slom zou ook onder invloed van het synoniem krom (waar mee het vaak rijmend wordt verbonden) kunnen zijn opgekomen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

slim bijv., Mnl. id. en slem = scheef + Ohd. slimbî = scheefheid (Mhd. slimp, Nhd. schlimm), met abl. Mnl. slom, dial. slam = scheef, dial. Eng. slamber = slank + Lett. slîps = scheef. De eerste bet. nog in slimbeen, slimhals en slemphout. Hieruit Eng. slim en On. slæmr (Zw. en De. slem).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

slum (bn.) slim; Nuinederlands slim <1602>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

slim b.nw.
1. Vinnig van begrip, skrander. 2. Listig, slu.
Uit Ndl. slim (1602 in bet. 1). Eerste optekening in Afr. by Changuion (1844).
Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1806).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

slim ‘schrander; (verouderd) scheef, verkeerd, op geslepen wijze’ -> Fries slim ‘schrander’; Engels slim ‘slank, dun, klein; listig’; Deens slem ‘ondeugend, lelijk’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds slem ‘belabberd, zeer slecht’ (uit Nederlands of Nederduits); Maltees isslimmja ‘lijnen, afslanken’ ; Ambons-Maleis slim ‘verkeerd, slecht’; Negerhollands slim, slem ‘heel slecht, listig’; Berbice-Nederlands slem ‘schrander’; Papiaments † slim ‘schrander’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Ben ik nou zo slim of ben jij zo dom? [uitspraak] (1996). Voetbaltrainer Louis van Gaal (1951) is berucht om de hooghartige antwoorden die hij bij interviews geeft. In 1996 stelt hij interviewer Ted van Leeuwen de spreekwoordelijk geworden tegenvraag: “Ben ik nou degene die zo slim is of ben jij zo dom?”

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

slim* schrander 1602 [WNT]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

slimme kaart, vernederlandsing van Engels smartcard*.

Als eerste instelling in Nederland gaat Crédit Lyonnais Nederland (CLN) haar zakelijke betalingsverkeer beveiligen met de ‘slimme kaart’ (smart card) van Philips. Deze betaalpas is voorzien van een chip en zou de beste beveiliging geven tegen misbruik van elektronische geldsystemen. (Trouw, 09/06/88)

slimme bom (← Eng. smart bomb), hoogtechnologische bom die dankzij een intern besturingssysteem zelf haar doelwit kan uitkiezen. Deze oorlogswapens kwamen vooral in het nieuws tijdens de Golfoorlog* van 1991. → slimme* wapens.

Twee slimme bommen vlogen door de voordeur van een Iraakse bunker met Scud-raketten. (Elsevier, 26/01/91)
Soms liggen de foto’s waarop te zien is hoe ze hebben gebombardeerd klaar als ze terugkomen. Herinnert u zich nog de slimme bommen die door de ventilatieschacht van een gebouw naar binnen vlogen? (Elsevier, 09/02/91)
Slimme bommen: Hi-tech bommen die dankzij een intern besturingssysteem zelf hun doel kunnen opzoeken. De bommen zijn weliswaar slim, maar niet bijzonder intelligent. Is er iets mis met de programmering van het besturingssysteem dan kunnen zij zichzelf zeer ten dele corrigeren, raken als dat niet lukt uit de koers en storten neer. (Max Pam: Klein woordenboek van de Golfcrisis, 1991)
‘Intelligente’ of ‘slimme’ bommen vinden in tegenstelling tot hun domweg naar beneden vallende broertjes hun doel door laser- of infrarood geleiding. (Esquire, mei 1998)

slimme voet, zie citaat.

De vzw Langzaam Verkeer stelde gisteren het Zweedse Intelligent Speed Adaption-systeem (ISA) voor. De ‘slimme voet’ — de Nederlandse term voor het ISA-systeem — beïnvloedt automatisch het snelheidsgedrag van de automobilist. ‘Er bestaan verschillende mogelijkheden,’ legt Jos Zuallaert van Langzaam Verkeer uit. ‘Allereerst is er een alarmsignaal dat de chauffeur waarschuwt als hij de snelheidsbeperkingen niet respecteert. Die technologie wordt in Japan al courant gebruikt. Daarnaast bestaat er ook een dwingend systeem met softe of harde aanpak. Bij de softe toepassing veert het gaspedaal terug als je een begrensde snelheid overschrijdt. Het harde systeem laat je gewoon niet sneller rijden dan toegelaten is. Tegelijk is er langs de wegen een netwerk van bakens nodig, dat de geldende snelheidsbeperking aan de wagen doorgeeft. Die teletechnologie past zonder problemen in een verkeersbord.’ (De Morgen, 14/05/98)

slimme wapens (← Eng. smart weapons), hoogtechnologische wapens die zelf hun doelwit zoeken. → slimme* bom.

Slimme wapens: de verzamelnaam voor wapens die over een ‘zelfzoekend’ besturingssysteem beschikken. (Max Pam: Klein woordenboek van de Golfcrisis, 1991)
Het zou een schone en snelle oorlog worden. Dat viel in de praktijk een beetje tegen. Het duurde toch nog zes weken van intensieve strijd voordat Koeweit uit handen van Saddam Hoessein was bevrijd. Zes weken waarin de televisiekijker werd uitgenodigd in zijn luie stoel de slimme wapens van de coalitie te bewonderen en zich te verbazen over hoe het mogelijk was dat high-techraketten zo doelgericht gebouwen konden binnendringen door een klein raam of een luchtkoker. (Elsevier, 10/10/92)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2437. Een slimme vocativus,

een slimmerd. In de 18de eeuw komt dit voor bij Tuinman I, 215: 't Is een slimme vocativus, dit zegt men van een doortrapten loosaard; W. Leevend, V, 213: Nou, ziel, jy bent al een raare vocativus! Harreb. II, 394; hd. ein rechter Vokativus, jemand dem nicht zu trauen ist, ein durchtriebener Kerl. In het hd. komt deze benaming sedert 1654 voor (Kluge, Wtb. 477). Oorsprong onzekerVgl. Borchardt, 487: Der vocativus ist der Anrufefall. Bildlich meint vocativus einen, der oft in strafendem, miszbilligendem oder staunendem Sinne im Anrufefall genannt wird; V. Ginneken I, 519: De vocativus is in 't Latijn de tot roepen dienende naamval. De bedoeling is, iemand die uitlokt om aan te roepen..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut