Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slijk - (modder)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

slijk zn. ‘modder’
Mnl. slijc ‘modder’ [1240; Bern.]. Daarnaast de vorm slik, als woordverklaring in decimam ... noviter emergentis terre, que slick vocatur ‘een tiende van het nieuw opgedoken land dat slik genoemd wordt’ [1212-14; Slicher van Bath].
Mnd. slīk; ohd. slīh (mhd. slīch); nfri. slyk; < pgm. *slīka- < *sleika-. Daarnaast met dezelfde betekenis ablautend *sliki-, waaruit: mnl. slik; mnd. slik; mhd. slich.
Wrsch. verwant met pgm. *slīkan- ‘glijden, sluipen, kruipen’, waaruit: mnd. sliken ‘id.’; ohd. slīhhan ‘id.’ (nhd. schleichen). Hierbij met verschillende ablaut o.a.: pgm. *slihta- ‘glad, glibberig’, zie → slecht; pgm. *slaika-, waaruit mnl. sleec ‘glad’; pgm. *slaikō-, waaruit ohd. sleicha ‘slee’; pgm. *slaik-ska-, waaruit nde. slesk ‘kruiperig, slijmend’. Het centrale betekeniselement is dus ‘glad, glibberig’.
Wrsch. verwant met: Grieks lígdēn (bw.) ‘het oppervlak aanrakend’; Oudkerkslavisch slĭzŭkŭ ‘glibberig’ (Russisch dial. slízkij); Oudiers fo-sligim ‘smeren’; < pie. *sleiǵ-, *sloiǵ-, *sliǵ- ‘smeren, glibberig of glad maken’ (LIV 566). Zie verder → slijm en → slak 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

slijk* [modder] {slijc, sliec 1201-1250} verwant met middelnederlands sleec [glad], middelnederduits slik, oudhoogduits slīh, slīch, oudnoors slīkr [glad] (in samenstellingen), hoogduits schleichen [sluipen]; buiten het germ. grieks ligdos [mal voor het verloren wasprocédé, slijpsteen], russisch slizkij [glibberig]; verwant met slijm, slak1, leem1.

slik* [modder] {slic(k) 1212-1214} ablautend naast slijk.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

slijk znw. o., mnl. slijc o. m., mnd. slīk m. o?, ohd. slīh, mhd. slīch, vgl. oti. slīkr ‘glad’, oe. slīc ‘listig’ (ne. sleek ‘glad’), verder mnd. slīken, ohd. slīhhan (nhd. schleichen) ‘sluipen’, oe. slīcian, on. slīkja ‘glad maken’. — oiers sligim ‘smeren’, russ. slízkij ‘glibberig’, gr. lígdēn ‘de oppervlakte beroerend’ van idg. *sleig, afl. van *(s)lei, waarvoor zie: lijm. — Zie ook: slecht.

Voor de verhouding van germ *slīka tot *slaka en *slūka vgl. J. de Vries PBB 80, 1958, 27. — Verder is nog te wijzen op de abl. vorm mnl. sleec, sleic ‘gelijk, glad’, nederfrank. sleik, ne. dial. sleek; in het mnl. en nog in het zuidnl. komt voor sleecvol ‘boordevol’ en dit is met nl. kolonisten naar het oost-Elbe gebied overgebracht, waar het heet schleekvull (vgl. Teuchert Sprachreste 269-273 met kaart 25.)

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

slijk znw. (het en de), mnl. slijc o. m. = ohd. slîh (mhd. slîch m.), mnd. slîk m. (o.?) “slijk”. Hiernaast met ablaut mnl. slic m. o. (nnl. slik), mhd. slĭch, mnd. slik m. (o.?) “id.”. De vorm slijk, germ. *slîka- is formeel = ags. *slîc, waarvan *slîcian (nîgslŷcod “versch gepolijst”), vgl. ook on. slîkisteinn m. “slijpsteen”. Eng. sleek “glad, blinkend” wordt gew. uit ’t Noorsch afgeleid. Met ablaut mnl. sleec, sleic “glad, gelijk met den grond, gelijk met den rand” (nog vla.). Van een idg. basis (s)liĝ-, waarvan ook russ. slízkij “glibberig”, obg. slĭzŭkŭeís ólisthon” gr. lígdēn, “de oppervlakte rakend”, lígdos “wrijfsteen”, ndl. likken II, misschien ook slecht en ier. fo-slig “hij besmeert”. Ook mnl. slîke “een soort worm”, ohd. blint-slîhho m. (nhd. blindschleiche v.) “een soort slang”, slîhhan (nhd. schleichen), mnd. slîken “sluipen”, meng. slîken “to glide” komen hiervan. Zie nog bij slikken en slak I. Idg. (s)liĝ- is een verlenging van (s)li-; zie slijm.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

slijk. Ags. slician (eng. to slick) heeft wsch. en dus de ablautsphase niet van slijk, maar van slik. Een voortzetting van een vorm met (meng. slike, ags. *slice) is ook het bnw. eng. sleek naast slick.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

slijk o., Mnl. slijc + Ohd. slîh (Mhd. slîch), On. slíkr = glad, Hgd. schleichen = sluipen, waarnevens met abl. slik, Mnl. slic, Mhd. slich (Nhd. schlich), + Gr. lígdos = wrijfsteen, Oier. fo-slig = besmeren, Ru. slizkij = glibberig: Idg. slei̯g͂, verwant met den wortel van slijm. Eng. sleek = glad, uit Skand.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

slik: doeb. v. slyk, nat aangespoelde grond, nat verpoeierde gesteente (by mynbou); Ndl. slik/slijk (Mnl. slijc), verb. m. Eng. sleek/slick, “glad”, mntl. maar onseker; vgl. (veroud.) Eng. slike, sleech, slitch.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Het slijk der aarde, geld, met de negatieve bijgedachte dat het nietswaardig is t.o.v. geestelijk goed; vaak ironisch.

Slijk voor geld is al bekend uit de zeventiende eeuw. Mogelijk is het gebruik in de verbinding slijk der aarde, letterlijk: de modder, het slik van de aarde, als beeld voor het meest verachtelijke goed dat er is, versterkt door een psalm gebaseerd op Psalmen 83:10-11, 'Doe met hen als met Midjan, / als met Sisera en Jabin in het Kisondal, / die bij Endor werden vernietigd / en als mest op het land bleven liggen' (NBV). De psalmberijming van 1773 geeft dit in de zesde strofe weer als: 'Dat hen, o God, uw gramschap sla, / als Midian, als Sisera, / als Jabin, die bij Kisons stroomen / en t'Endor gansch zijn omgekomen, / wanneer uw ijver niemand spaarde, / maar hen vertrad als slijk der aarde'.

Geld heeft altijd een dubbelzinnige rol gespeeld in mijn leven. Ik verfoeide het 'slijk der aarde', keek hooghartig neer op hebzucht en weelde, en bezat nooit een cent. (N. Noordervliet, Tine of De dalen waar het leven woont, 1995 (1987), p. 15)
Ik ben bereid u af en toe wat te sturen, op voorwaarde dat ik die nummers en wat onontbeerlijk slijk der aarde ontvang. (L.P. Boon, Brieven aan literaire vrienden, 1989 (Boon aan G. Borgers, 1947), p. 149)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

slijk. In het Vlaamse Bree komt als variant van het antwoordvers Wat je zegt, ben je zelf voor als regel (3) met je kop in de slijk. Ik zie daarin de elliptische antwoordverwensing (val) met je kop in de slijk! De letterlijke betekenis van deze verwensing is naar de achtergrond gedrongen. De verwensing drukt vooral afkeer, boosheid en ergernis uit en kan weergegeven worden met ‘donder op, ik heb een geweldige hekel aan je’. → elf, helft, koffiemelk, lepel, melk, tiet, touw en verf.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Slijk, van den Germ. wt. slik = glad, glibberig zijn; zie Slikken. Vandaar ook de bijvorm slik. Ook slak (slek): het glibberige dier, behoort hierbij.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

slijk, slik ‘modder’ -> Deens slik ‘modder’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds slick ‘modder’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect slik, chlik ‘bezinksel van een distilleerderij’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

slijk* modder 1240 [Bern.]

slik* modder 1212-1214 [Slicher]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut