Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sliet - (van de takken ontdaan stammetje)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sliet* [van de takken ontdaan stammetje] {balkensliete 1240, sliet [lange dunne paal] 1370} van middelnederlands sliten [slopen, uit de grond trekken] (vgl. slijten).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sliet znw. v. ‘lange buigzame lat; paal als scheiding van het vee in de stal; (noordbrab.) ‘zachte wilgen- of elzentak van een bepaalde lengte’, mnl. sleyt, sliet ‘lange, dunne staak’, mnd. slēt ‘id.’ westf. slaite v. ‘ronde stang’, achterh. sleete ‘ribbe, balk, hout voor afsluiting’, mhd. sleize ‘lichtspaan’, nde. slyde ‘vloer van takken om hooi of stro op te leggen’, zw. dial. sly, slyde ‘buigzame tak’. Men verbindt deze woorden. meestal met sluiten en denkt dus aan hout, dat voor een afsluiting gebruikt wordt.

Naast germ. *sleuto staat echter ook *sleito eveneens ‘stang’, vgl. nnl. dial. sleete, nnd. slaite, ne. sloat, dat men kan verbinden met mnl. slīten ‘verscheuren’ (zie: slijten) dus een stang, die afgescheurd is van de boom? Men kan dus denken dat tussen deze beide groepen van woorden een jonge klinkervariatie bestaat en dan is de vorm *sleitō het doorzichtigst (zie J. de Vries PBB 80,1958, 21).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sliet (lange, buigzame paal, paal als scheiding tusschen dieren in den stal, ruimte tusschen twee slieten; dial. in verschill. speciale bett., N.Brab. = “zachte wilgen- of elzentak van eenige ellen lengte”), mnl. sleyt, sliet (v. o.?) “lange dunne staak”. = mnd. slêt (o.?) “id.”, ook collectief, westf. slaite v. “ronde stang”, achterh. slieete v. “ribbe, balk, hout voor afsluiting gebruikt”. Een goede etymologie is mogelijk als we van een grondvorm niet met eo maar met ê2 < êi uitgaan. Verwant is dan met germ. ai (> ags. â > eng. oa) eng. sloat “stang, staaf” (sloats mv. “wagenstel”), en verder slijten: oorspr. bet. “afgespleten, afgehakt stuk hout”. Vgl. voor de bet. ier. slissiu “lat” bij splijten.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

sliet. Adde: mhd. sleiʒe v. leuchtspan’.
Een grondvorm met eo is het waarschijnlijkst; met hetzelfde vocalisme de. slyde ‘vloer van takken om hooi of stro op te leggen’, ouder-de. ook = ‘stang, knuppel’ (onnodig als ontl. uit een mnd. *slüte beschouwd). Eng. sloat is een variant van slote en heeft dezelfde vocaalphase als slot. De gehele woordfamilie met een ospr. bet. ‘hout voor afsluiting’ bij sluiten: semantisch vgl. blok, dat wsch. bij luiken behoort.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sliet v. (paal. scheidspaal), Mnl. id. + Ndd. slêt, Hgd. schleisze, Eng. sloat: van slijten.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut