Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sliert - (lang, dun, slap hangend voorwerp; lange rij)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

sliert zn. ‘lang, dun, slap hangend voorwerp; lange rij’
Vnnl. slier ‘glijdende beweging’ in Dat sel icker in gaen setten met een slier ‘dat zal ik in één teug naar binnen slaan’ [1613; iWNT]; nnl. slier(t) ‘lang en mager persoon’ in Wat wil die lange slier van mij? [1838; iWNT], ‘lange rij’ in Doar kump en helen sliert an ‘daar komt een hele sliert aan (van elkaar vasthoudende personen)’ [1882; iWNT], ‘slap hangend voorwerp’ in De zwarte haren, ... met vlossige slierten, naar beneden op de schouders, als de rafelige uiteinden van een dikke vacht [1889; iWNT].
Afleiding van het werkwoord slieren ‘glijden’ [1630; iWNT], ‘slenteren, doelloos lopen’ in sliert zij van den eenen kant van de straat naar den anderen [1841; iWNT]. Dit werkwoord is ontstaan door wegval van intervocalische -d- uit mnl. slideren ‘glijden, uitgijden’ zoals in dat si ... upwaerts clommen ... sonder slideren ‘dat ze zonder uit te glijden omhoog klommen’ [1450-1500; MNW], Onse voetstappen slidderen inden wech van onsen straten ‘onze voetstappen glijden weg tijdens het gaan door onze straten’ [1477; MNW]. De -t in sliert is wrsch. een paragogische -t als in → arend. In dat geval is Noord-Hollands slierten ‘slingeren’ [1857; Navorscher] een afleiding van het zn.
Bij mnl. slideren: nfri. sliere ‘glibberen, uitglijden’; oe. slid(e)rian ‘id.’ (ne. dial. slidder); nno. slire ‘id.’; < pgm. *slidrōn-, afgeleid van het bn. slid-ra- ‘glibberig’ (oe. slidor), van de nultrap van slīdan- ‘glijden’, zie → sle(d)e.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sliert* [sleep, slap hangend iets] {1897} van slieren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

slier, sliert znw. Van slieren

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

sliert: (meestal voorafgegaan door lange) lang, mager persoon.

‘Za ’k jou aan je neus hangen, lange sliert!’ ketste Aaltje, altijd strijdvaardig. (Diet Kramer, Roeland Westwout. Roman over jonge menschen, 1940)
Verdomde zonde, dat die sliert ’m net niet raakte hè? (Piet Bakker, De slag in de Javazee, 1951)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sliert* sleep, slap hangend iets 1897 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut