Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slib - (bezinksel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

slib zn. ‘bezinksel’
Vnnl. slibbe in water ende dunne slibbe [1528; MNW]. Eerder al mnl. slibberachtich, slibberich ‘glibberig’ [1477; Teuth.]; vnnl. slibbe, slibber ‘modder, slijk’ [1599; Kil.].
Mogelijk een afleiding van de Indo-Europese wortel *(s)lei- ‘smeren, kleven’, zie → slijm (FvW), en in dat geval met oorspr. betekenis ‘kleverige substantie’. De vormen met -r- zijn mogelijk ontstaan onder invloed van vnnl. slibberen ‘glibberen’, zie → slippen. Het is ook mogelijk dat slib(be), net als slippen, een afleiding is van de wortel van → slijpen (WNT, NEW).
Mnd. slibberaftich, slibberich ‘glibberig’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

slib* [bezinksel] {slibbe 1528} van middelnederlands slibberen [glijden] (vgl. slidderen); een intensiveringsvorm naast slijpen; van dezelfde stam als slijm.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

slib znw. o. sedert de 16de eeuw, een affectieve -bb- formatie naast de groep van slijpen, uitgaande van idg. *(s)lei ‘slijmerig’. — Daarvan afgeleid slibberen en slibberig, laat-mnl. slibberachtigh ‘glibberig’, mnd. slibberich, slibberaftich.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

slib znw., sedert de 16. eeuw.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

slib, slibber v., van slibberen, van een stam *slib- uitbreiding van den Germ. wrt. slī, waarvan ook slijk, slijm, slijpen.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Slib, slibber, van slibberen, frequ. van slijpen = glijden; zie Slijpen. Het w.d.z. hetgeen doet glijden: slijk, modder.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

slib* bezinksel 1528 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal