Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sleutelbloem - (Primula)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sleutelbloem* [primula] {sluetelbloem 1554} zo genoemd vanwege de gelijkenis van de omgebogen bloem met een sleutelbaard, denkelijk ook met de bijgedachte aan het openen van de bloeitijd → primula.

Thematische woordenboeken

W. Deconinck (2019), Plantennamen nader toegelicht, Kortrijk.

sleutelbloem
Slanke sleutelbloem | Primula elatior (L.) Hill
Stengelloze sleutelbloem | Primula vulgaris Hudson
Gulden sleutelbloem | Primula veris L.

De naam Sleutelbloem wordt op verschillende manieren verklaard. De bloemkroon past als een sleutel in de langgerekte kelk of de kelk is de schacht van een sleutel en de omgebogen kroonbladeren de baard. Bij de Slanke sleutelbloem kunnen we de stevige, lange bloemsteel als de schacht van een grote sleutel beschouwen en de tros bloemen de baard. Keuze dus.

De Gulden sleutelbloem, vroeger Gewone sleutelbloem genoemd, werd al sinds de twaalfde eeuw tegen zwartgalligheid en prikkelbaarheid aangeprezen, eerst door Hildegard van Bingen (1098-1179), de beroemde Duitse benedictijnse abdis die geschreven heeft over de geneeskracht van planten. Het gebruik van deze plant werd beschouwd als een sleutel tot het Paradijs en vandaar misschien de naam.

Er bestaat ook een legende over Sint-Petrus die de hemelpoort bewaakt, indommelt en de sleutel van de poort uit zijn handen laat ontglippen. De sleutel valt op aarde en op die plek begint een plant te bloeien: de Sleutelbloem. Zelfs Dodoens (1618) kende dit verhaal want hij schrijft dat de sleutelbloem ook Sint Peeterscruyt en hemelsluetele genoemd wordt.

H. Kleijn (1970), Planten en hun naam: Een botanisch lexicon voor de Lage Landen, Amsterdam

Prímula: Sleutelbloem
Prímula is het vrouwelijke verkleinwoord van het Latijnse primus: eerste (hier in het voorjaar), omdat enkele soorten tot de vroegst bloeiende planten in de lente behoren. In het midden van de dertiende eeuw vinden we bij Jacob van Maerlant in zijn ‘Naturen Bloeme’ het volgende:
Primula dats een kruut
Tierste dat te lentin coemt uut,
Ende taleerst dat bloemen draghet.
Dit cruut, alsmen ons ghewaget,
Ghedronken met roeden wine,
Dats volmaeckte medicine
Ghedronken in alre noet
Jegent swaer evel groet.
Daar de meeste namen voor de verschillende in ons land voorkomende soorten veelal dezelfde zijn, zullen we de drie in ons land in het wild voorkomende soorten als één behandelen. Deze soorten zijn Gewone sleutelbloem (P. véris), Slanke sleutelbloem (P. elátior) en de Stengelloze sleutelbloem (P. vulgáris). Hoewel bij de Stengelloze sleutelbloem de Latijnse soortnaam, vulgaris: gewoon, wijst op algemeen voorkomen, is dit thans allerminst het geval. De Slanke sleutelbloem is gekenmerkt door de lange hoge bloeistengel, vandaar de soortnaam elatior: hoog verheven. De soortnaam voor de derde soort, veris, duidt op het in het voorjaar bloeien, want veris is afgeleid van het Latijnse vèr: lente.
Andere namen die op dit vroeg verschijnen van de bloemen wijzen zijn Aprilbloempjes, Maarten- of Meertenbloemen, Pinksterbloem, Paasbloem en Paasroosjes. Hoe de wetenschappelijke naam van Primula veris verbasterd kan worden blijkt uit het volgende lijstje. We zullen ons er echter van onthouden de streken te vermelden: Ploemlewier, Ploemvairke, Plomlevier, Pluimdevère, Plumelavèren, Pluumdeveren, Pluumveiern en Prumela viezen. Vooral op de Zeeuwse eilanden en in Zeeuws-Vlaanderen komen we de naam Bakkruid tegen. Deze naam kreeg de Primula omdat zij met andere planten in allerlei koeken verwerkt werd.
In de omgeving van Nijmegen spreekt men zelfs van Koekebloem. Een naam die we meer in het oosten van ons land, in Drente en op de Veluwe, tegenkomen is Pannekoekjes, omdat de plant ook in pannekoeken meegebakken werd. In Sal-land spreekt men van Pannekoekenbleumkes, en in de omgeving van Ruurlo van Pannekooksbloom. De gele bloemen werden als kleurstof gebruikt, en wel om er tegen Pasen de eieren mee te verven. Vandaar de naam Eierkruid in het Land van Hulst en westelijk Brabant; verder staat voor Voorne en Beierland genoteerd Eikruid en Eiertjes. De namen Hemelsleutel en Hemelslôtel slaan speciaal op de Slanke sleutelbloem. Hier zal de vorm van de bloemtros wel een rol gespeeld hebben, want de bloemtros doet denken aan een ouderwetse sleutelbos. Bij Hildegard von Bingen (midden twaalfde eeuw) komen we reeds Hymelsloszel tegen.
In de volgende sage vinden we de verklaring van deze naam: toen Petrus het bericht ontving dat deugnieten de sleutel, die toegang tot de hemel gaf, hadden nagemaakt, liet hij van schrik zijn gouden sleutelbos uit zijn handen vallen en deze kwam toen op de aarde terecht. Hij liet hem weliswaar direct terug halen, maar waar de sleutelbos de grond geraakt had bloeiden Sleutelbloemen op. Volgens H. Schoeps gaat deze naam nog verder in de tijd terug, want een oude Germaanse sage verhaalt het volgende: vele malen verscheen bij de bloemverzamelaars een bosnimf, de sleutel- jonkvrouw, die aan bloemen die in haar tegenwoordigheid geplukt werden, de macht verleende geheime of verborgen schatten te ontsluiten, die dwergen, kobolds en alruinen verborgen hielden. Een ander oud heidens bijgeloof verhaalt het volgende: de plant werd door de goden aan de mens geschonken om hem de weg te wijzen naar verborgen schatten. Zij is daartoe de ware sleutel, maar bij het vinden van het bloeiende kruid moest een vrouwelijk individu, de sleutelmaagd verschijnen - dat was Freya - die in haar kroon een sleutel verborgen had. Later heeft het Christendom dit heidens geloof gekerstend en in verband gebracht met Petrus, de hemelportier. Namen die daarmee wellicht verband houden zijn Sint Pieterskruid en Petersleutel; we vinden deze bij Heukels opgenomen zonder verdere aanduiding. In een Engels kruidboek van 1525 noemt men haar Herba Petrie: Sint Pieterskruid, en in een van 1526 spreekt men van Saynt Petersworte. Een Franse volksnaam luidt Herbe de Saint Pierre. Zowel Fuchs als Dodonaeus spreken van Sint Peeterscruyt. De naam Sleutelbloem schijnt pas later ontstaan te zijn, misschien in de zestiende eeuw. Of deze benaming iets te maken heeft gehad met de vorige is niet meer vast te stellen, maar dit is hoogstwaarschijnlijk wel het geval geweest. Men heeft het verband niet meer geweten tussen hemel en sleutel en is gemakshalve gaan spreken van Sleutelbloem. Een andere opvatting is dat de naam ontstaan is omdat men deze plant als de ontsluiter van de lente beschouwde. In Zuid-Limburg komen namen voor als Kerkesleutelen, Kirkesjleutel en Kerkesleutels.
In Aalsmeer spreekt of sprak (?) men van Houtstoofjes wanneer men de gekweekte primula’s bedoelde. Houtstoofjes zijn sleutelbloemen die ’s winters in de stoof of oranjerie werden bewaard. Stoof beduidt hier een kas die in het koude jaargetijde eventueel verwarmd kan worden met stoofhout: kachelhout. In het Zuidhollandse spreekt men van Houtstoven als men Sleutelbloem op het oog heeft. Een Aalsmeerse opvatting luidt als volgt: het ‘hout’ slaat op het feit dat deze planten in de schaduw van houtige gewassen, bepaalde heesters, stonden en ‘stoofje’ duidt op de eigenschap om pollen te vormen. Stoof is nog een betrekkelijk veel gebruikte aanduiding voor een stevige pol planten.
Zowel in de volksgeneeskunst als in de officiële geneeskunde werden de bladeren, bloemen en wortel aangewend. De gele bloemen waren goed bij geelzucht, terwijl de bladeren - als thee getrokken - dienden als zenuwsterkend middel. Bij verlammingen en beroerten werd het kruid aangeprezen, hierop duidt de oude naam Herba paralysis (paralysis: verlamming). Waarschijnlijk moeten we hier teruggrijpen op een oude Griekse sage, die als volgt luidt: een mooie jongeling, Paralysos geheten, was over de dood van zijn bruid zeer bedroefd en verviel daardoor in zwaarmoedigheid. De goden die door deze grote liefde bewogen werden, veranderden hem in de sleutelbloem. Hiermede in verband zal ook wel staan het mengen van de plant in liefdesdranken, zoals dat in de middeleeuwen geschiedde. Een andere naam die we in oude kruidboeken tegenkwamen is Arthritica, hetgeen erop wijst dat de Sleutelbloem tegen jicht - arthritica - gebruikt werd.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sleutelbloem* primula 1514 [Groten Herbarius]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal