Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sleuren - (ruw voortslepen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

sleuren ww. ‘ruw voortslepen’
Vnnl. slueren (overgankelijk) ‘ruw slepen, ruw behandelen’, (onovergankelijk) ‘talmen, treuzelen (van personen); traag voortgaan (van zaken)’ in Neen, tes verloren Gheroepen, ghetrocken of ghesluert ‘nee, het is tevergeefs (om mij) te roepen, te trekken of te slepen’ [ca. 1515; Mariken], daermen noch noyt en heeft ghesloort ‘waar men (elkaar) nog nooit ruw heeft behandeld’ [1524; Refereinen], Sluert niet hier op ‘talm hier niet langer over’ [ca. 1530; iWNT], Als ick sag het slueren mocht ‘toen ik zag dat het traag zou kunnen gaan’ [1626; iWNT], sloren, slueren ‘voortslepen’ in beghect, bespot, ghedwaest, ghesloort, ghesletert ‘voor de gek gehouden, bespot, uitgelachen, voortgesleept, mishandeld’ [1539; MNW], de netten slueren ‘de netten voortslepen’ [1559; iWNT], sloren, slooren, sleuren ‘slepen’ [1599; Kil.], ook sloeren ‘traag voortgaan (van zaken)’ in Laat het soetlijck sloeren Tot beter tydt ‘laat het rustig op zijn beloop...’ [1617; iWNT sloeren II].
Mnd. slüren, slueren ‘slepen; sloffen, schuifelen’ (nnd. slören), slurren ‘sloffen’; nfri. sloere ‘talmen’; nzw. dial. slöra ‘rommelen, bezig zijn’ (wrsch. ontleend aan het mnd.). Hierbij het zn. sleur (zie onder); mnd. slör ‘trage gang’; mhd. slūr ‘getalm; luilak’; nfri. sloer ‘getalm’.
Verdere herkomst onduidelijk. Misschien verwant met → sluimeren, bij een wortel die ‘slap neerhangen’ betekent.
Zie ook → sloerie.
sleur zn. ‘gedrag uit gewoonte’. Vnnl. Vry de ghemene sluer houd ‘volg maar het algemene gebruik’ [1600-10; iWNT], om de sleur ‘uit gewoonte’ [1624; iWNT], staat'er te vreezen, Dat het blyven zal als 't is, zo doende gaat het d'oude sleur [1684; iWNT]. Afleiding van sleuren in de betekenis ‘traag voortgaan’.
Lit.: Mariken van Nieumeghen, editie Dirk Coigneau, Hilversum, r. 812-813; J. van Stijevoort (1524), Refereinen, editie F. Lyna & W. van Eeghem, z.j., Antwerpen, 180

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sleuren* [slepen] {sloren, sleuren [slepen, talmen, sleuren] 1539} middelnederduits sluren, noors slora, slura; vgl. sloerie, sloor.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

leuren 3 ww. ‘trekken aan, rukken’ (Vlaanderen, Brabant), Kiliaen loren, leuren, loeyeren, luyeren ‘trekken’. Het woord staat naast sleuren. Daar in het overige germ. alleen woorden met sl-anlaut voorkomen, zal leuren wel een jongere nevenvorm zijn. — Zie ook: lurken.

sleuren ww. (sedert de 16de eeuw) ‘slepen, talmen’, westf. slören ‘traag iets doen, slenteren’, waarnaast mnd. slūren ‘id.’, gron. sloeren ‘laten lopen, niet afdoen’, fri. sloere ‘talmen’. Vgl. verder nnoorw. slūre ‘traag mens’, slūren ‘mat, slaperig’, slora, slŭra ‘los hangen, sleuren’ en mhd. slier (< *sleura) m. n. ‘modder, leem’ (nhd. schlier ‘slijmerige massa’) < idg. wt. *sleur, afl. van *sleu, waarvoor zie: sluimeren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sleuren ww., sedert de 16. eeuw met de bett. “sleepen, talmen”. = westf. slören “traag iets doen, slenteren” (mnd. al slōr m. “trage gang”; of slôr?). Staat tot mnd. slûren “id.”, gron. sloeren (loaten) “(laten) loopen, niet afdoen”, ndl. (± 1500) slu(e)ren “sleepen” (of = sleuren?), fri. sloere “talmen” als ndl. treuren tot dial. trûren. Verder vgl. mhd. slûr m. “het slenteren, luieren, luiaard”, noorw. dial. slûre “trage persoon”, slora, slura “los hangen, slepen”. Hierbij ook mnl. slore (ō, ô?) v., Kil. sloore, nnl. sloor, westf. slör “sloerie”. Zie sloerie. Van een basis slu- “(zich) traag, slap voortbewegen, traag, slap zijn”, waarvan ook slooien. Zie nog slieren en slodderen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sleuren o.w., ouder Nndl. sloren + Ndd. slurren, slorren, slûren, Mhd. slûr = luiaardij, luiaard, bij sloor en slodderen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sleuren ‘slepen’ -> Deens sløre ‘(zeevaart) voor de wind zeilen of varen, soms licht slingerend; (techniek) loszitten van onderdeel’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors sløre ‘zeilen in wind die schuin van achteren komt, ruimschoots zeilen’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sleuren* slepen 1539 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut