Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sleuf - (smalle groef)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

sleuf zn. ‘smalle groef’
Mnl. misschien al slove ‘groef’ in bouten met sceeden ende sloven ‘stangen met pinnen en groeven’ [1384-1407; MNW]; vnnl. sleuf ‘smalle groef’ in lokjes, die gaen doolen Over 't sleufje daer verhoolen ‘... over het daar (in de hals) verborgen huidplooitje’ [1625; iWNT], sleuven ..., waer kettings of touwen door komen [1671; iWNT pomp II].
Herkomst onzeker. Als het een erfwoord is, kan men Proto-Germaans *slubi- reconstrueren, dat dan ablautend zou moeten horen bij de onder → sluipen genoemde wortel pie. *sleubh- ‘glijden’. Omdat het woord geografisch nogal geïsoleerd staat, lijkt dat echter vergezocht. NEW vergelijkt de betekenis met die van Duits Schlucht ‘bergkloof, ravijn’ < Middelhoogduits sluft < Proto-Germaans *slupti-, dat wel bij sluipen hoort. Hierbij hoort ook Noord-Hollands slochter ‘geul, vaargeul’ (met het Texelse toponiem Slufter).
FvW beschouwt sleuf als jongere vorm naast → gleuf. Dat woord is pas later geattesteerd, maar wrsch. wel een erfwoord en dus ouder.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sleuf* [smalle groef] {ca. 1625} verwant met slochter, middelhoogduits sluft [kloof] (hoogduits Schlucht); behoort bij sluipensluif1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sleuf znw. v., eerst nnl., alleen nog in oostfri. Het is niet onmogelijk, dat men dit verbinden kan met mhd. sluft ‘het doorslippen; kloof’ (nhd. schlucht), en ohd. mhd. slouf ‘het doorslippen; pijp, buis’, die behoren bij het ww. sluipen. Dan moet men aannemen, dat het germ. naast elkaar kende *slup en *sluƀ; de laatste vorm wordt gesteund door nnl. sloof (IEW 963-964). — Verder zijn nog te verbinden slufter (Tessel) ‘sleuven in de duinen’) noord-holl. slofter, slochter ‘nauwe doorgang, slop’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sleuf znw., niet bij Kil. Ook oostfri. Een mnl. slōve of slȫve “sleuf” is zeer twijfelachtig. Wsch. een jongere vorm naast gleuf, ontstaan naar analogie van andere woorden met sl- naast woorden met gl- (vgl. bij glibberig). Verwantschap met sloven is semantisch minder wsch. Een grondvorm *sliƀan-, nomin. *sliƀo m., verwant met ags. tô-slîfan “splijten” (eng. to sliver) zweeft te veel in de lucht; voor den vorm vgl. eventueel reus; over tô-slîfan zie slip.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sleuf v., + Hgd. schluft, schlucht: van denz. stam als ʼt meerv. imp. van sluipen.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Sleuf, verwant met sluipen = de spleet, waarin iets sluipt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sleuf ‘smalle groef’ -> Fries sleuf ‘smalle groef’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sleuf* smalle groef 1625 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal