Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slet - (ontuchtige vrouw)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

slet zn. ‘ontuchtige vrouw’
Mnl. slette ‘lap, vod’ in Men bant zijn handeken mit sletten ‘men verbond zijn handje met lappen’ [ca. 1345; MNW]; vnnl. slet ‘slonzige vrouw’ [1599; Kil.], ook algemener ‘minderwaardige man of vrouw’ in Een dronken slet [ca. 1610; iWNT], een onnoozel slet [1624; iWNT], maar later i.h.b. ‘ontuchtige vrouw’ in Een die haer eer verliest, ... Is maer een rechte slons, een sloor, een vuyle slet [1655; iWNT].
De oorspr. betekenis ‘lap, vod’ komt nog tot en met de 17e eeuw voor. De herkomst is onduidelijk, zoals dat ook bij vele andere woorden met soortgelijke betekenis het geval is, zie bijv.flard, → flodder, → lap, → lomp 1, → lor, → slons, → vod. Samenhang met → slijten, waarbij men zou uitgaan van een betekenis ‘afgesneden lap’, is onzeker (Toll.).
Misschien verwant met nno. sletta ‘lap, vod’, ozw. slätta ‘id.’, die wijzen op pgm. *slattiōn-, maar geen verdere aanwijzing geven voor de etymologie. Hetzelfde geldt voor mnd. slatten (mv.) ‘vodden, lompen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

slet* [flard, ontuchtige vrouw] {slet(te) [afgescheurde lap, slip van een kledingstuk] 1350; de betekenis ‘ontuchtige vrouw’ 1599} vermoedelijk te verbinden met middelnederduits slatte, noors sletta, oudzweeds slätta, verouderd deens slatte [lap, vod], waarschijnlijk van deens slat [slap]; vgl. voor de betekeniscombinatie lap - gemene vrouw del, drel, dweil, slons.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

slet znw. v., Kiliaen slet, sletse ‘lui vrouwmens’, maar eig. slet, slette, slets, sletser = mnl. slette, slet ‘vod, lap’. Verschillende verklaringen zijn mogelijk. Vergelijkt men mnl. slitte v. ‘pand, slip’, dan kan men aan verband met slijten denken en dan dus uit een *slittō. Maar in woorden als deze zijn klinker-varianten gewoon; vandaar ook te denken aan nnoorw. sletta, ozw. slätta (< *slattiōn) ‘lap, lomp’, zw. dial. slatt, sladd ‘overblijfsel, druppel’ en on. -slytti in þverstslytti ‘strook walvisvlees’. Deze woorden kunnen verbonden worden met nde. bnw. slat, slatten ‘slap, los’, vgl. slatte ‘smerig wijf’, ouder ‘vod, lap’ naast slant ‘klein restje’, nzw. dial. slant ‘vod; vuile vrouw’ en verder mnd. slatte ‘vod’, slatterig ‘slap, vuil’.

Deze woorden zijn alle betrekkelijk jonge en sterk affectieve formaties en zijn daarom moeilijk te etymologiseren. De verbinding met nijsl. leðja ‘modder’, ohd. letto ‘leem’ en verder met gr. látaks ‘druppel, wijnrest’, miers laith ‘bier’, die FT 1058 voorstelt, is hoogst onwaarschijnlijk en wordt door IEW 654 ook niet overgenomen. — Er is te letten op de parallele stammen in het germ. *slat-, *slap- en *slak- die alle een gelijksoortige bet. hebben en dus op secundaire varianten kunnen wijzen, waarin het hoofdelement de verbinding sl- is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

slet znw. Kil. “slet, sletse. Holl. Mulier ignava, ambubaia”. Met overdr. bet. (vgl. slons, dweil, dronkenlap, lap) = Kil. slet, slette (sletser, slets), mnl. slette, slet (v.?) “lap”. Kan = noorw. sletta, ozw. slätta (*slattiôn-) “lap, lomp” zijn, waarnaast mnd., ouder-de. slatte “id.”; wsch. bij de. slat, slatten, slattet “slap”; combinaties hoogerop zijn wel beproefd, maar een wsch. etymologie bestaat niet. Vgl. de synonieme bases van slap, slaken, slenteren, waarmee oerverwantschap niet aannemelijk is, maar wel is onderlinge beïnvloeding mogelijk. In mnl. slitte v. “pand, slip” kan men een dial. vorm van slet zien; veeleer echter hoort het bij slijten met de oorspr. bet. “het opengesnedene, gespletene”. Voor slet neemt men wel hetzelfde aan: dit is mogelijk (de bet.-specialiseering “afgesneden stuk” > “lap” is zeer gewoon), maar minder wsch., dan de boven gegeven verklaring; vgl. vooral Kamperveensch slătǝ “slet”. — Nnl. sleter, mnl. slēter, sletter (m.?) “lap, lomp”, ± 1500 ook = “slet”, kan bij slijten of bij mnd. slatte enz. hooren.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

slet, slets v. (flard, slof), Kil. id. + Zw. slätta, No. sletta, De. slatte, verder Eng. slut, On. slottr, sletta (= slap hangen), van denz. wortel die met nasaleering in slenteren voorkomt.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

slet s.nw.
1. Onsedelike vrou. 2. Slordige vrou.
Uit Ndl. slet (1599 in bet. 1, 1629 in bet. 2).
Eng. slut (1402 in bet. 2).

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

sletse 3 (DB, B, K, R), slijsse (O, GG: Hooglede), zn. v.: haveloze vrouw (DB), slons, slet, sloerie (B, K, DB, GG). Intensivum bij Mnl. sliden ‘glijden’ (zie slieren). Vgl. slepe.

slette 2 (K), zn. v.: slet, slons, sloerie. Vroegnnl. slet, sletse ‘mulier ignava, ambubaia’ (Kiliaan). Zoals slette 1 en Ndl. sle(d)e, intensivum afgeleid van Mnl. sliden ‘glijden’. Dus oorspr. ‘trage, zich voortslepende vrouw’. Vgl. slepe. Evt. < Mnl. slette ‘afgescheurde lap’.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

slet: ontuchtige, verachtelijke vrouw; hoer; meisje dat of vrouw die met iedereen naar bed gaat. In de jeugdtaal is de betekenis verschoven naar een meisje dat zich makkelijk laat versieren (zie Hoppenbrouwers). Oorspronkelijk betekende dit woord ‘afgescheurde lap of oude lap’. In die zin dateert het al uit de veertiende eeuw. De Spaanse kust wordt eind twintigste eeuw wel eens schertsend aangeduid als Costa Sletta.

Praat zoo tegen je sletten, maar niet tegen een ordentelijk mensch. (Johannes Kneppelhout, Studentenleven, 1841-1844)
‘Zo’n slet van een meid!’ barstte zij los. (P.A. Daum, Goena-goena, 1889)
‘Slet,’ stikte ze – ‘naar huis! Naar huis!’ (Ina Boudier-Bakker, De straat, 1924)

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Slet Oude volksnaam voor de Huismus op Texel. Hier was vroeger een bezigheid het zgn. slette droele ‘Mussen verrassen in hun slaap door ze bij het licht van een door de vogelvanger meegedragen lantaarn te grijpen’ [Dijksen 1992 p.28] Hier zal mnl droelen ‘foppen’ van toepassing zijn, hoewel MH dit ww. als intransitief (onovergankelijk) opgeeft (en dus geen lijdend voorwerp bij zich kon hebben).
ETYMOLOGIE De naam zal het overdrachtelijk gebruik zijn van N slet ‘slordige of ontuchtige vrouw’; er zijn veel meer van dergelijke scheldnamen voor de Huismus. Zie bijv. Kets. Als de naam is gegeven toen mnl slet nog ‘vod, prul, lor’ betekende, is het scheldeffect iets minder, maar de naam blijft oncomplimenteus.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

slet ‘(verouderd) afgesleurde lap, flard; ontuchtige vrouw’ -> Duits dialect Schlätt ‘doekje, hoofddoek, lompen, zaklinnen voor het inpakken van gras, koud kompres; lelijke vrouw’; Frans dialect écléte, éclète ‘scherf, splinter, stuk (bijv. van knoflook)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

slet* ontuchtige vrouw 1599 [Kil.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal