Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sleper - (iemand die of iets dat sleept)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

sleper I: iemand of iets wat sleep, v. sleep.

sleper II: dwarslêer (by spoorweë); leenv. uit Eng. sleeper.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sleper ‘iemand die of iets dat sleept’ -> Fins leepari ‘sleeptouw’ (uit Nederlands of Nederduits).

Hosted by Meertens Instituut