Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slepen - (voorttrekken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

slepen ww. ‘voorttrekken’
Mnl. slepen ‘voorttrekken’ in Ende sleptene met parden verre. Dor de stene ‘en sleepten hem met paarden een heel stuk over de stenen’ [1285; VMNW], ende slepene also te hole ‘en slepen hem zo naar hun hol’ [1287; VMNW].
Mnd. slepen ‘slepen’; ohd. be-sleifen ‘doen wankelen, te grond richten’; ofri. slēpa (nfri. slepe); < pgm. *slaip-jan- ‘doen glijden’, causatief bij → slijpen in de oorspr., niet meer in het Middelnederlands geattesteerde betekenis ‘glijden’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

slepen* [voorttrekken] {sle(e)pen, sleypen [doen slepen, langs de grond slieren] 1285} middelnederduits slepen, oudfries slepa; er zijn twee vormen samengevallen, namelijk slepen als nevenvorm van slijpen en slepen het causatief van slijpen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

slepen 1 ww. ‘met moeite voorttrekken’, dial. ook sleipen, mnl. slêpen, sleipen, ohd. sleifen (nhd. schleifen) < germ. *slaipjan ‘doen glijden’, caus. van slijpen.

Deze vorm wellicht ook mnd. slēpen, hoewel dit ook = slepen 2 kan zijn. Hoewel dit woord vooral in het limb. en salisch gebied voorkomt, vinden wij het toch ook in ofri. slêpa.

slepen 2 ww. ‘slepend glijden’, mnl. slēpen, mnd. md. slēpen < germ. *slipōn, dat in abl. staat tot slijpen. — Zie ook: slepen 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sleepen ww., dial. sleipen, mnl. slêpen, sleipen. Een dial. beperkt, op ndl.-belg. bodem blijkbaar speciaal limb. en salisch woord, elders kent men alleen slepen(ook wvla., reeds bij Maerlant), trans. en intr. = ohd. sleifen (nhd. schleifen), mnd. slêpen (? of alleen slēpen?) “sleepen”. Causatief-formatie bij slijpen. Zie ook slepen.

slepen ww., mnl. slēpen. = mnd. en md. slēpen “slepen, sleepen” (westf. sliǝpen, nhd. schleppen). Ablautend met slijpen. Slepen en sleepen komen in onze diall. in gelijke bet. voor, maar elke of bijna elke streek kent slechts een van beide.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

sle[e]pen. Ook ofri. slêpa ‘slepen’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sleepen o.w., + Ohd. sleifan (Mhd. sleifen, Nhd. schleifen): factitif van slijpen.

slepen ono.w. (zich slepend voortbewegen), denom. van sleep.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sleipe (ww.) slepen; Vreugmiddelnederlands slepen <1285>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2sleep ww.
1. Iets oor die grond of 'n ander oppervlak voorttrek. 2. Met bv. 'n tou of ketting agterna trek. 3. Uittrek in 'n hol voorwerp, bv. 'n sleepnet. 4. Lank aanhou. 5. Skurend oor die grond beweeg. 6. (studentetaal) 'n Vak wat gedruip is, moet herhaal. 7. (studentetaal; verouderend) Gereeld met iemand uitgaan.
In bet. 1 - 5 uit Ndl. slepen (al Mnl. in bet. 1, 1602 in bet. 2, 1786 in bet. 3, 1855 - 1857 in bet. 4, 1855 - 1869 in bet. 5), in bet. 5 'kledingstuk wat op die grond hang en daaroor getrek word'. Bet. 6 en 7 het in Afr. self ontwikkel, in bet. 6 mntl. na aanleiding daarvan dat 'n vak wat gedruip is en herhaal moet word 'n las is, soos iets swaars wat gesleep moet word, wat die vordering van jou studie vertraag en in bet. 7 dat persone wat romanties verbind is en gereeld saam uitgaan dikw. so naby aan mekaar beweeg dat dit lyk asof die een die ander sleep. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. schleppen (13de eeu). Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1838).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Slepen, sleepen = glijden, laten glijden, van den Germ. wt. slip (zie Slijpen).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

slepen ‘voorttrekken’ -> Engels † slepe ‘voorttrekken’; Duits schleppen ‘voorttrekken’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens slæbe ‘voorttrekken, hard werken’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors slepe ‘voorttrekken’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds släpa ‘voorttrekken’ (uit Nederlands of Nederduits); Ambons-Maleis slép ‘over de grond slepen’; Kupang-Maleis selèp ‘voorttrekken’; Menadonees selèp ‘voorttrekken’; Ternataans-Maleis selèp ‘voorttrekken’; Negerhollands slep, slēp ‘voorttrekken’; Sranantongo srepi ‘voorttrekken’; Saramakkaans séépi ‘(visnet) voorttrekken’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

slepen* voorttrekken 1285 [CG Rijmb.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

759. Iemand of iets met de haren (of bij het haar) er bij sleepen,

d.w.z. iemand of iets als met geweld bij iets te pas brengen, waar hij (het) eigenlijk niets mede te maken heeft; in iets moeien, ergens in mengen, met iets in aanraking of in verband brengen. Reeds in het Grieksch των τριχωυ ελκειν; lat. capillis (-o) trahere. Zie Erasmus, XXXVII en Van Effen's Spect. IV, 85; VI, 23; XI, 78. Vgl. het eng. to drag in (by the) head and shoulders; nhd. etwas an den Haaren herbeiziehen; nd. mit de Hâre bihaln (FEckart, 178); fr. tirer qqch par les cheveux. In Zuid-Nederland zegt men van iets, dat gewrongen is, een verhaal, dat onwaarschijnlijk is, dat het met 't haar getrokken is (Antw. Idiot. 1735).

1560. Iemand door den mosterd halen (of sleepen),

d.w.z. iemand over den hekel halen, hem den mantel uitvegen, eene scherpe, gevoelige berisping toedienen. Bij Sartorius IV, 20: Door de mostardt slepen, pro conviciari ac maledicere positum est; Anna Bijns, Refr. 170:

 Abten, proosten, dekens, canuncken ook,
 Hoortmen alomme deur den mostaert halen.

Zie verder Winschooten, 23; Hooft's Brieven, 419; De Brune, Bank. II, 387; Com. Vet. (voorbericht): ‘de groote letterhelden Erasmus, Morus enz. slepen de heerschzugtige geestelyken door den gesuikerden mostaert’In de 16de eeuw werd gesuykerde mostaert als nagerecht gegeten (Noord en Zuid IV, 123).; Tuinman I, 298; C. Wildsch. V, 82; Molema, 270 b; Afrik. iemand deur die mosterd trek; Het Volk, 6 Febr. 1914, p. 2 k. 3: Hij (de heer Lohman) veracht ze (de kiezers) met adellijke verachting, en de kiezers van Goes werden nu in 't bijzonder door de mosterd gehaald; Harreb. II, 105. Synoniem was in de 17de eeuw: iemand door de pekel trekken, en thans zegt men dial. iemand door de gort, de rijstenbrij roeren (Nav. XXX, 560); Twente: iemand deur de stront halen; in Oost-Vlaanderen en in Kl. Brab.: iemand door het blauwsel trekken, met iemand den spot drijven (Schuermans, 58 b). In het Friesch: immen troch de moster fiterje of helje, flink aanzetten; stoeiend of worstelend afmatten (Fri. Wdb. II, 357 b); fr. passer qqn à tabac. Passer qqn à tabac = brutaliser, battre; passage à tabac, bont en blauw slaan. Zie no. 65 en 1003.

2506. In de wacht sleepen,

d.w.z. zich toeëigenen, ‘wennen’, veroveren, winnen; ontleend aan de soldaten of de politie-agenten, die iemand of iets in de wacht, het wachtlokaal, opbergen, arresteeren, inrekenen. Vgl. V. Ginneken II, 463: In de wacht sleepen: iets meenemen of meepakken, vooral als het voorwerpen betreft, waarvan het eigendomsrecht betwist zou kunnen worden; Harreb. II, 432: Hij haalt alles in de wacht, het is een inhalig mensch; Nkr. III, 25 Dec. p. 4:

 Ze hebben gesjacherd‘Sjacheren’ is, evenals het hd. schachern, ontleend aan 't hebr. sâhar, handeldrijvend rondtrekken. aan de Bank,
 Verheugden zich in 't geldgeklank;
 Ze sleepten de winsten in de wacht
 En hebben de eerlijkheid verkracht.

Zondagsblad van Het Volk, 2 Juli 1905 p. 7: Z'n klokke is al weg. Heb je dat in de wacht gesleept? Neê, Kees, gekocht voor vijf en dertig stuivers; Nkr. III, 5 Sept. p. 4: t' Is Roomsche plicht om Breukelen zelf in de wacht te sleepen; Het Volk, 29 Januari 1914 p. 6 k. 4: De vrijzinnigen voelen zich de kam gewassenVgl. ook Nkr. IX, 14 Aug. p. 2: Hoe zwol den rekels toen de kam! Ze voelden zich al heer en meester van Zaandam!; hd. der Kamm schwillt ihm, er wird übermütig, herausfordernd. Wanneer een haan kwaad wordt en wil vechten, zwelt hem de kam en wordt deze rood. Zie ook Molema, 189: 'n kam kriegen, boos worden; het I7de eeuwsche den hanekam opsteken, zich trotsch verheffen; fr. lever, dresser la crête. door de zoo gemakkelijk behaalde overwinning in IV en hopen ook dit zeteltje in de wacht te kunnen sleepen; Nw. School, VI, 263: Zo'n broekie dat pas zijn hoofdakte per ongeluk in de wacht gesleept heeft; De Arbeid, 21 Maart 1914 p. 4 k. 2: Ook de onkosten sleepen een boel in de wacht; 12 Dec. 1914 p. 2 k. 2: Maar wàt er te halen valt sleepen ze in de wacht..... Wat is dat nu weer voor 'n smerige uitlating? Wat sleepen de ‘vrijen’ in de wacht, Jan Oudegeest, wat hen niet toekomt?; 16 Januari 1915 p. 2 k. 4: Is het geen heerlijk idee te weten dat die voor 2 1/2 millioen gulden heeft ingeschreven op de leening, aan rente, daarvan jaarlijks 125 duizend gulden in de wacht sleept? Het Volk, 19 Aug. 1915 p. 5 k. 4: Wie denkt daar nu aan als er een baantje in de wacht valt te sleepen? D.H.L. 13; Het Volk, 7 Maart 1914 p. 7 k. 2: Vol verwachting gaan dus morgen de roodwitten naar Rotterdam om te trachten de twee puntjes of althans één in de wacht te sleepen; 5 Januari 1914 p. 8 k. 2: We zien Quick, dat nog bijna alle thuiswedstrijden moet spelen, nog wel meer puntjes in de wacht sleepen; Haagsche Post, 17 Oct. 1914 p. 8 k. 3: Nadat Buwalda den stand op 2-2 gebracht had, wist Van Randwijck zoowaar de twee puntjes in de wacht te sleepen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut