Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sleet - (het slijten, slijtage)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

sleet zn. (BN) ‘het slijten, slijtage’
Mnl. slete ‘het slijten’ in overmids dat zy gheen slete of neringhe en hebben ‘omdat zij geen winkel of bedrijf hebben’ [1466; MNW], de slete des lakens ‘de slijtage van het laken’ [1573; Thes.].
Ablautend zn. bij het werkwoord → slijten 1, in de oudste betekenis ook van → slijten 2.
Mnd. slete ‘onkosten; kleinverkoop’; ohd. sliz ‘spleet, breuk’; oe. slite ‘id.’; < pgm. *sliti-. Daarnaast staat pgm. *slit(t)a-, waaruit: ohd. (gi-)sliz ‘tweestrijd; breuk’ (nhd. Schlitz ‘spleet’); ofri. slit ‘breuk’ (nfri. slyt ‘slijtage’); oe. lah-slit ‘wetsovertreding’, ge-slit ‘het verscheuren’ (ne. slit ‘spleet, scheur’); on. slit ‘scheiding, ontbinding’ (nzw. slit ‘hard werk’).
In het NN is het woord verouderend, behalve in de uitdrukking er zit sleet in (of op) ‘het is niet meer zoals het geweest is’, zoals in met een stem waar duidelijk de sleet op zit [1980; Leidsch Dagblad], drie jaar geleden bleek er bovendien sleet te zitten in de specialiteit van Schöne [1983; Leidsch Dagblad].
sleets bn. ‘snel zijn kleding verslijtend’. Vnnl. sleets in Hij is seer sleets: dat is, hij verslijt, en rotst (‘slijt’) veel kleeren [1681; iWNT], ‘versleten, niet meer zoals het geweest is’ in alles (‘alle kleding’) een beetje sleetsch en met rafelingen en stoppen [1932; iWNT rafeling]. Afleiding van sleet met bijvoeglijke -s (zie → -s 1).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sleet znw. v., mnl. slēte, sleet v. m. ‘het slijten; schade, nadeel; afgedankte voorwerpen’, mnd. slēte m. ‘het slijten’, ohd. sliʒ, sliz ‘spleet, breuk’ (nhd. schlitz) is afgeleid van slijten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sleet znw., mnl. slēte. = ohd. sliʒ (naast sliz, nhd. schlitz) m. “spleet, breuk”, mnd. slēte m. “het slijten”. Sleet : slijten = spleet : splijten.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sleet v., van denz. stam als ʼt meerv. imp. van slijten.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Sleet, „geen sleet of breuk’’; sleetsch; van: slijten (z. d. w.). Hierbij ook: slet = verachtelijk vrouwspersoon; letterlijk: een afgesleten stuk van een kleed, een vod.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut