Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sleep - (hellend)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sleep* [hellend] {1501-1600} nederduits sleif, hoogduits schleif [glad, glibberig], oudnoors sleipr (vgl. Sleipnir); van slepen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sleep znw. Kil. sleyp, laat-mnl. sleep, slepe, in sommige nnl. diall. met ê resp. ei, elders met ē. Van sleepen resp. slepen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sleep m., + Hgd. schliff: van denz. stam als ʼt meerv. imp. van slijpen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1sleep s.nw.
1. Gedeelte van 'n kleed wat op die grond sleep (2sleep 1). 2. Opeenvolgende reeks, stoet. 3. Lang reeks voertuie, dikw. skepe of treinwaens, wat deur een voertuig, bv. 'n sleepboot of lokomotief, getrek word. 4. Handeling van te sleep. 5. (studentetaal; verouderend) Persoon met wie jy gereeld uitgaan.
In bet. 1 - 4 uit Ndl. sleep (al Mnl. in bet. 1, 1642 in bet. 2, 1769 - 1811 in bet. 3, 1894 in bet. 4). Bet. 5 het in Afr. self ontwikkel na aanleiding daarvan dat persone wat romanties verbind is en gereeld saam uitgaan dikw. so naby aan mekaar beweeg dat dit lyk asof die een die ander sleep. Eerste optekeninge in Afr. by Pannevis (1880) in die samestelling sleepdot 'grondhou by balslaan' en in die afleiding sleepsel en in Patriotwoordeboek (1902).
D. Schleppe (17de eeu).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

sleep: s.nw., 1. slepende deel v. ’n kleed (bv. bruidskleed); 2. gevolg; Ndl. sleep (Mnl. sleep/slepe), Hd. schleife, hou verb. m. ww. sleep, Ndl. sle(e)pen (Mnl. slepen/sleipen, kous. v. slijpen), Hd. schleifen, blb. hoofs. Germ.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sleep ‘iets dat over de grond sleept’ -> Zweeds släp ‘iets dat over de grond gesleept wordt’ (uit Nederlands of Nederduits); Ests slepis ‘op sleeptouw (van schip)’ (uit Nederlands of Nederduits); Hongaars slepp ‘deel van kledingstuk dat over de grond sleept’ (uit Nederlands of Nederduits); Papiaments † sleep ‘deel van kledingstuk dat over de grond sleept’; Sranantongo srepi ‘iets dat over de grond sleept; onderdeel van een trouwjurk; sleepnet’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut