Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slechten - (vlak maken; doen verdwijnen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

slechten ww. ‘vlak maken; doen verdwijnen’
Onl. slihten ‘ vlak maken, glad maken’ in thaz that middelothe thes disches mit minnon geslightat sii ‘dat het midden van de tafel met liefde glad gemaakt is’ [ca. 1100; Will.]; mnl. slichten, sligten ‘vlak maken, glad maken’ [1240; Bern.], slechten, slichten ‘met de grond gelijk maken, slopen, vereffenen, verzoenen’ in Alexandre heueti beseten ... Ende die burghe al gheslecht ‘hij heeft Alexandrië bezet en de vesting helemaal gesloopt’ [1285; VMNW], Die souden slichten die straten ‘die de straten zouden effenen’ [1285; VMNW], Alle sijn wtgheven van beyden rekeninggen ... te zamen gherekent ende gheslicht ‘al zijn uitgaven van beide rekeningen samengenomen en vereffend’ [1351; MNW], Om die partijen te slichten ‘... te verzoenen’ [1356; MNW]; vnnl. slichten, slechten [1599; Kil.], daarna vrijwel alleen nog slechten.
Afleiding van → slecht in de verouderde betekenis ‘vlak, effen, glad’, aanvankelijk met i-umlaut, maar onder invloed van het bn. later weer met -e-.
Mnd. slichten, slechten; ohd. slihten (nhd. schlichten, waarvan afgeleid schlicht ‘glad; gewoon, eenvoudig’); on. slétta (nzw. släta); alle ‘vlak maken, glad maken’, < pgm. *slihtijan-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

slechten* [vlak maken] {slichten 1201-1250, slechten 1285} middelnederduits slichten, slechten [idem], oudhoogduits slihten, oudnoors slētta; afgeleid van slecht.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

slechten ww., mnl. slechten (met secundaire naar slecht) en slichten ‘effen, glad maken, beslechten ‘(zelden intrans. ‘effen worden, bedaren, gesloopt worden’), mnd. slichten, slechten ‘effen, glad maken, vereffenen’, ohd. slihten ‘effen, glad maken’ (nhd. schlichten en daarvan het bnw. schlicht), on. slētta ‘effen, glad maken’ < germ. *slihtian; afl. van slecht.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

slechten ww., mnl. slechten, met e naar slecht, naast slichten “effen, glad maken, beslechten”, zelden intr. “effen worden, bedaren, gesloopt worden”. = ohd. slihten (nhd. schlichten) “effen, glad maken”, mnd. slichten, slëchten “id., vereffenen”, on. slêtta “effen, glad maken”, germ. *sliχtianan.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

slechten o.w., Mnl. id. met e uit i voor cht + Hgd. schlichten: denom. van slecht = effen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

slechten ‘vlak maken’ -> Engels slight ‘(verouderd) glad maken, egaliseren; (verouderd) met de grond gelijk maken; geringschatten, veronachtzamen; slordig werken’ (uit Nederlands of Nederduits); Russisch šljáchtiť, šljachtováť ‘glad maken van planken en balken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

slechten* vlak maken 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut