Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slecht - (niet goed)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

slecht bn. ‘niet goed’
Mnl. slegt ‘vlak, effen, glad’ [1240; Bern.], dat die lichame slecht ende onbeulect was ‘... glad en rein ...’ [1265-70; VMNW], alse slegt als die see ‘zo vlak als de zee’ [1270-90; VMNW], ‘eenvoudig’ in also waest met haren geeste slecht ‘zo was het (gesteld) met haar eenvoudige geest’ [1276-1300; VMNW], van slechten woerden ‘met eenvoudige, gewone woorden’ [1340-60; MNW-P]; vnnl. slecht ‘ordinair, onaanzienlijk, gering, minderwaardig; onnozel’ in slicht coorne jnt goede ‘minderwaardig koren door het goede (koren)’ [ca. 1528; iWNT], zes ellen lakens, tsy fyn of slicht ‘zes el laken, van fijne of mindere kwaliteit’ [ca. 1530; iWNT], Doet onzen raet, oft ghi doet als de slichte ‘volg onze raad, anders doe je als de onnozele’ [1539; iWNT], slecht oft onachtbaer ‘van geringe achting’, een slecht man ‘iemand van weinig aanzien’ [1573; Thes.], Een ziel, onedel, slecht van aert [ca. 1600; iWNT].
Mhd. slicht, mnd. slicht ‘glad, effen; eenvoudig, gewoon; geordend’; ohd. sleht ‘glad, effen; eenvoudig, vriendelijk’ (nhd. schlecht ‘niet goed’); ofri. sliucht ‘eenvoudig, gewoon’ (nfri. sljocht ‘effen; eenvoudig; dwaas’); me. slight ‘glad; tenger; gering’ (ne. slight); on. sléttr ‘effen’ (nzw. slät ‘id.’); got. slaihts ‘glad, effen’; < pgm. *slihta-.
Afleiding met ablaut van de wortel *slīk- ‘glad, glibberig’, zie → slijk, met -kt- > -ht- door Primärberührung.
De oorspr. betekenis van slecht is ‘glad, effen’, maar in geen van de West-Germaanse talen is deze bewaard gebleven. In het Hoogduits en het Nederlands is de betekenis via ‘zich niet boven iets anders verheffend’ en ‘gewoon, eenvoudig’ overgegaan in enerzijds een gunstige betekenis ‘oprecht, vriendelijk’ en anderzijds een ongunstige betekenis ‘verkeerd, niet goed’. De betekenis ‘eenvoudig, gewoon, ongekunsteld’ is evenwel bewaard in de Duitse variant schlicht. Aan Nederlands slechten beantwoordt trouwens ook Duits schlichten. Deze laatste is tegenwoordig de gewone betekenis. De andere betekenissen komen alleen nog voor in de afleidingen → slechten en → slechts en in de samenstelling → slechtvalk. De betekenisovergang van ‘glad’ naar ‘gewoon’ is vergelijkbaar met die van → plat met betrekking tot taalgebruik. De overgang van ‘gewoon’ naar ‘niet goed’ is vergelijkbaar met die van → gemeen en → ordinair.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

slecht* [niet goed] {1201-1250 in de betekenis ‘effen, vlak, glad, ordinair, ondeugdelijk’} oudsaksisch sliht, middelnederduits slecht, oudfries sliucht, oudhoogduits sleht, oudnoors slēttr, gotisch slaihts; buiten het germ. grieks lispos [glad]; verwant met slijk.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

slecht

Eigenlijk betekent slecht: effen, vlak, glad, zoals nog blijkt uit slechten: met de grond gelijk maken en beslechten. Ook in de uitdrukking recht en slecht heeft slecht nog deze betekenis. Dan gaat het woord betekenen: eenvoudig (slechte luiden), onwetend, niet deugdelijk, niet gunstig, gebrekkig (slecht gezicht). Dan zijn wij langzamerhand al gekomen bij de tegenwoordige betekenis: zedelijk verdorven, misdadig. Een soortgelijke ontwikkeling zien wij bij het woord gemeen dat eigenlijk betekent: gemeenschappelijk, daarna: gewoon (gemeen soldaat) en tenslotte: schurkachtig, laaghartig. Woorden die iets ‘gewoons’ aanduiden, hebben meermalen de neiging in betekenis af te dalen. Het Franse ordinaire toont precies hetzelfde beeld.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

slecht bnw., mnl. slecht, slicht ‘effen, vlak; recht, gewoon, eenvoudig, zonder arglist’, os. sliht ‘decoratus’, mnd. slecht, slicht ‘effen, vlak, recht, eenvoudig, gewoon, gereed, geordend’, ohd. sleht ‘effen, vlak; recht, eenvoudig, zachtmoedig, vriendelijk’ (nhd. schlecht) ofri. sliŭcht ‘eenvoudig, gewoon’, me., ne. slight ‘gering’, on. slēttr ‘effen, vlak, eenvoudig, oprecht, geheel’, got. slaihts ‘effen, vlak’. Germ. grondvorm *slihta-, vgl. oiers ic-sliachtad ‘kortge-knipt’. Het behoort tot de groep van slijk. — Zie: slechten en slechts.

De pejoratieve bet., die het woord later aangenomen heeft, berust op die van ‘gewoon’, dat gemakkelijk kan afglijden naar die van ‘van weinig waarde, onbeduidend’; vgl. daarvoor ook gemeen. — Verbinding met de groep van slaan (zo H. Kern Ts 19, 1901, 109-110) is zeer onwaarschijnlijk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

slecht bnw., mnl. slecht, slicht “effen, vlak, recht, gewoon, eenvoudig, zonder arglist”. = ohd. slëht “effen, vlak, recht, eenvoudig, zachtmoedig, vriendelijk” (nhd. schlecht; schlicht is deverbatief van schlichten, of oorspr. ndd.), os. sliht “decoratus”, mnd. slëcht, slicht “effen, vlak, recht, eenvoudig, gewoon, gereed, geordend”, ofri. sliū̆cht “eenvoudig, gewoon”, meng., nieuweng. slight “gering” (wegens ’t late voorkomen wel voor een ontl. gehouden), on. slêttr “effen, vlak, eenvoudig, oprecht, geheel”, got. slaíhts “effen, vlak”. Niet als germ. *sleχta- bij slaan, maar als *sliχta- van de idg. basis sliĝ- (zíe slijk) of van sliq-, waarvan gr. lissós (sliq-jo-s), lispós, att. lisphós (*sliq-sq(h)o-s) “glad”, waarbij misschien ook lat. lîma “vijl” (*slîq-(s)mâ-), dat ook direct van de basis slī̆- kan komen (zie slijm), waarvan slī̆ĝ- en slī̆q- verlengingen zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

slecht bijv., Mnl. id., Os. sliht + Ohd. sleht (Mhd. id., Nhd. schlecht), Meng. slight (Eng. id.), Ofr. sliucht, On. sléttr (Zw. slät, De. slet), Go. slaihts: Idg. wrt. slei̯ = glad zijn, waarvan ook slijk, slijm, slede, slijpen. De bet. zijn: 1. effen, 2. eenvoudig, 3. gering. 4. slecht.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

slech (bn.) 1. slecht 2. ziek; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) slegt, Nuinederlands slecht <1573>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

slecht bn., (i.h.b.:) niet overeenkomstig de (vermeende) normen van Nederlanders of blanken i.h.a. (m.b.t. enige uiterlijke kenmerken van Creolen*); i.h.b.: slecht haar = kroeshaar; een slechte kleur - een donkere (huids)kleur. Je haar was slecht haar, omdat het kroes* was (Dobru 1969: 34). - Zie ook: goed*, verbeteren*.
— : slechte droom (de, -dromen), nare droom; onheilspellende droom. Ze zeiden ook dat ik dat kon nagaan omdat ik slechte dromen kreeg. Ik droomde o.a. dat ik met mijn oma en een kennis van haar op een begraafplaats was. Die mensen zijn dood (Wooding 375). - Etym.: Vgl. E bad dream (bad = slecht; dream = droom). - Zie ook: goede* en schone* droom.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Slecht, oorspronk. = effen, vlak; dan: simpel, eenvoudig, gering; dan: niet goed, kwaad. Vgl. een derg. overgang in simpel (eenvoudig, dan onnoozel, idioot), onnoozel (onschadelijk, dan idioot), ook in ’t hgd. einfältig = idioot. Voorbeelden van de oudere bet. vinden we nog in slecht en recht; een weg, een gebouw slechten.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Slecht; de oorspr. bet. is glad, vlak, effen (vgl. slechten = effen maken). Uit de bet. van effen, niet boven iets anders uitstekend, ontstond die van laag, niet-hoog = nederig, eenvoudig, bijv. in Ps. 19: „’t Is Gods getuigenis, dat eeuwig zeker is, en slechten (= eenvoudigen, de niet-hoogmoedigen) wijsheid leert.” Vgl. ook nog: slecht en recht = eenvoudig en oprecht. Uit dit begrip effen, eenvoudig, nederig, laag, ontstond die van: boos, verkeerd, gemeen; misschien ook onder den invloed van effen = glad, geslepen, sluw. – Slechts is de bijwoordelijke vorm met s, in de bet. van eenvoudig (n.1. eenvoudig) = enkel, alleen: Hij heeft mij slechts dat meegedeeld (= enkel dat, meer niet).
De afl. van slecht is niet duidelijk, men denkt aan den Germ. wt. slik (Idg. slig) = glad zijn; vgl. slijk en den Hgd. vorm schlicht = eenvoudig. Immers uit „glad” kon zich ook de bet. van „effen” ontwikkelen: een gladde weg, een effen weg.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

slecht ‘niet goed’ -> Indonesisch jelék ‘niet goed’; Ambons-Maleis slèk, slèg ‘niet goed’; Creools-Portugees (Ceylon) slecta ‘niet goed’; Negerhollands slecht, sle, slegt ‘niet goed’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † sle ‘niet goed’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

slecht* niet goed 1573 [Plantijn]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

242. In een goed (of slecht) blaadje staan,

d.w.z. ergens goed aangeschreven zijn, goed of slecht te boek of te bladZie Rusting, 213: 't Schreyen toont sig al wat raars; althans daar moet het voor te blat staan. staan; fr. être bien ou mal noté. Bij Roemer Visscher, Brabbeling, 6: In 't qua blaedtken staen, d.i. op het blad, waarop de slechte betalers worden genoteerd; zie verder Hooft, Brieven, 133; 345; V. Moerk. 567; Pers, 281 a; 284 a; Van Effen, Spect. V, 35; XI, 6; Ndl. Wdb. II, 2767. Waarschijnlijk heeft in de bet. op (vgl. bij Hooft, Brieven, 402: 't Zwart in 't wit hebben d.i. zwart op wit hebben.Zie ook de opmerkingen in Taal en Letteren I, 276 en vgl. Mnl. Wdb. III, 816. Volgens Welters, 97, zegt men in Limburg: ‘op een slecht blaadje staan’; evenzoo in het Antw. en Westvl.: bij iemand op een goed of slecht blaadje (blaaiken) staan; zie Antw. Idiot. 245; De Bo, 141, waar uit Poirters wordt aangehaald:

 Met veynzen wort hier niet ghedaen,
 Ten sy wy op t' schoon blaeyken staen.

Zie ook Joos, 74 en vgl. nog het fri.: hy stiet yn in goed bledtsje of yn in goed boekje, waarmede te vergelijken is het eng. to be in the (good) books of the bad (black) books; Rutten, 32 b: op iemands zwarten boek staan, iemands vijand zijn; Waasch Idiot. 120 a: bij iemand op een slecht, op een zwart of op het leste blaadken staan, in ongunst aangeschreven zijn; op een wit blaadken staan, de gunst genieten.

1916. Recht en slecht,

meestal slecht en recht, d.i. eenvoudig; eig. rechtuit, oprecht en eenvoudigVoor deze beteekenis van slecht vergelijke men de slechte (kalme, effene) zee; eene vesting slechten; westvl. slechten, het geploegde land breken en effen maken met de egge; slechtweg; iets beslechten (hd. schlichten); het fri. het slecht, de kleine steentjes; Zaansch het slechtje (Boekenoogen, 931)., doch de beteekenis van slecht is overheerschend geworden (zie no. 882); fri. rjucht en sljucht; gron. slicht en recht (Molema, 380 b). Vgl. Plant.: Slecht ende recht, simple et droict, sans malice; Kil.: Slecht ende recht mensch, sincerus, simplex, apertus; R. Visscher, Sinnepoppen, 2de Schock, X: De menschen in de gulden eeuwe waren slecht en recht; Spieghel, 275: slecht en recht; 97: recht en slecht; Vondel, Salomon, 1238: slecht en recht; Huygens, Hofw. 2415: t Hollands slecht en recht; Brederoo II, 159; Van Moerk. 117; Br. v. Abr. Bl. I, XXIII. Ook in het Oostfri. slecht un recht weg; hd. schlecht und recht; recht und schlecht; schlechthin; fri. sljuchtwei. In Zuid-Nederland onbekend. (Aanv.) In sommige streken van Zuid-Nederland is slecht = eenvoudig wèl bekend.

1925. In een slechten (of kwaden) reuk staan,

d.w.z. niet gunstig bekend zijn; eig. bekend staan als een slechten reuk hebbende, zoodat men hem niet kan luchten of rieken (Zuid-Nederland); eigenschappen bezitten, die bij anderen eene onaangename gewaarwording te weeg brengen, bij vergelijking met iets dat stinkt. Vgl. het mnl. stinken vore enen, gehaat zijn bij iemand; hd. er stinkt vor mir, ist mir zum ekel; eng. to stink, in slechten reuk staan. Vgl. Sewel, 673: In een goede reuk zyn, to have a good character or reputation. Hiernaast kwam in denzelfden zin voor: een slechten geur hebben, o.a. in Van Effen's Spect. IX, 98: De plaatsen, daar de verketterde Arrius, en de strenge Govard met de bult het leven kwyt gingen, hebben een slechte geurHier waarschijnlijk een woordspel, daar die plaats de ‘bestekamer’ was.; Afrik. hy staan in 'n slegte (goeie) ruik. Vgl. fr. (n')être (pas) en bonne odeur; hd. in gutem, schlechtem Geruche stehen; eng. to be in good (bad) odour. Zoo spreekt men ook van een reuk (of geurNkr. VII, 27 Dec. p. 5. In het Zondagsblad van Het Volk, 1905 p. 256: Omdat de familie V. in een reuk van hekserij had gestaan.) van heiligheid, de kenmerken van heiligheid, in de uitdr. ‘in een reuk van heiligheid staan’, voor zeer godvruchtig doorgaan, de sporen van heiligheid vertoonen; fr. être en odeur de sainteté; hd. ein Geruch der Heiligkeit; eng. an odour of sanctity. Zie Ndl. Wdb. IV, 1895; Taalgids I, 203 en vgl. de uitdr. Daar is, kleeft of zit een luchtje aan, dat is niet in den haak, die zaak is niet pluis, ook van personen gezegd, die in een kwaden reuk staan (M.z.A. 13; Nkr. V, 24 Juni p. 6; Nw. School II, 149; De Arbeid, 7 Nov. 1914 p. 2 k. 1; Amstelv. 152; Gron. 261: 't Is jandoppie of 'r 'n luchtje aan 't huwelek kleeft; De Nw. Amsterdammer, 9 Januari 1915 p. 1 k. 4: De voornaamste nieuwsagentschappen der wereld vervullen een officieuse rol, waar al te vaak een luchtje aan is); Ndl. Wdb. VIII 3130; fri. der is in forkearde lucht oan; Afrik. daar is 'n ruikie (geurtjie) aan. Vgl. ook Bij iemand in den (of goeden) geur staan, dat wil zeggen in een goeden reuk staan bij iemand, bij hem in den pas staan, een wit voetje hebben bij iemand. Zie Sjof. 198: Dat was de manier om in de geur te komen; Het Volk, 7 Jan. 1914 p. 5 k. 2: De firma D. heeft ook een winkel. Zij verkoopt schoonmaakbenoodigdheden en de vrouwen moeten, willen zij niet al te slecht in den geur staan, zoo nu en dan eens wat koopen; 3 Maart 1914 p. 10 k. 3: Wie het goedkoopst werkt, staat bij de administratie het meest in den geur; 15 Mei 1914 p. 7 k. 4: Bij de justitie stond hij al evenmin in goeden geur; De Arbeid, 4 Juli 1914 p. 3 k. 4: Door z'n optreden tegen de arbeiders kwam hij natuurlijk in den geur bij de heeren fabrikanten; Nkr. III, 14 Febr. p. 6:

 Een agent in Amsterdam
 Komt gauw in de geur en
 In de gunst van zijnen chef
 Door veel te bekeuren.

Nkr. II, 6 Dec. p. 6: Ben je van de kleur der regeering en sta je in den geur; Jord. II, 59: Als je eenmaal bij hem in de geur staat as meid, kijkt ie je dood!

2485. Het zijn de slechtste vruchten niet, waaraan de wespen knagen,

d.w.z. degenen, die uit nijd en afgunst besproken worden, zijn dikwijls de beste en deugdzaamste menschen; eene gedachte die de Romeinen uitdrukten door summa petit livor. Zie Harrebomée II, 424; De Arbeid, 23 Januari 1915, p. 3 k. 3: Dat ‘Walden’ meer benijd dan bemind is, behoeft zeker geen betoog. Het zijn echter niet de slechtste vruchten waaraan de wespen knagen!; Antw. Idiot. 1407: 't Zijn goei vruchten, waaraan de wespen knagen, 't zijn de deugdzame menschen die belasterd worden. Vgl. hd. Dukaten werden beschnitten, Pfennige nicht.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut