Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slapjanus - (slappeling)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

slapjanus zn. ‘slappeling’
Nnl. slapjanus ‘slappeling’ [1908; Stoett 1923].
Samenstelling met → slap en de eigennaam Janus, gevormd naar analogie van → gladjanus.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

slapjanus, slapjurk: slappe, sullige vent; bangerd. Bekende kreet uit het einde van de negentiende eeuw: ‘Ik houd niet van het ras dier moderne slapjanussen.’ Jan Salie* van Potgieter wordt ook een slapjanus genoemd. De in 2004 vermoorde cineast en columnist Theo van Gogh omschreef interviewer Frénk van der Linden consequent als de genuanceerde slapjanus. Een ander woord met het suffix -janus is gladjanus*. Vroeger kwam ook nog ritjanus voor ritmeester op.

Wij kennen in onze taal dusgenaamde possessieve samenstellingen als: blauwoog, roodhuid, zwartbroek, domkop, slapjanus, zooveel als wij er maken willen. (De Groene Amsterdammer, 10/02/1923)
Ik ben ook miezerige, hufterige slapjanussen tegengekomen… (Piet Bakker, Jeugd in de Pijp, 1946)
Als chirurg kan je geen slapjanus zijn zoals al die jongelui vandaag de dag. (Jan Wolkers, Brandende liefde, 1981)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut