Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slap - (niet strak; laks)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

slap bn. ‘niet strak; laks’
Mnl. slap ‘laks, traag’ in prelaten Die alte slap sijn ende trege Ten dogeden ‘prelaten die zeer laks zijn en traag in goede werken’ [1265-70; VMNW], ‘zwak, krachteloos’ in die minne es seker slap [ca. 1400; MNW], ‘niet gespannen, niet stijf’ [1477; Teuth.].
Mnd. slap ‘slap’; ohd. slaf ‘id.’ (nhd. schlaff); < pgm. *slapa-. Zie ook het sterke werkwoord → slapen.
Verdere herkomst onzeker. Mogelijk verwant met: Litouws slõbti ‘verslappen’; Oudkerkslavisch slabŭ ‘zwak’ (Russisch slábyj); < pie. *sleh1b-, *sloh1b- (LIV 565). Indien de anlaut een s-mobile is, kunnen → lap en Latijn lābī ‘wegglijden’ (zie → labiel) verwant zijn. De -b- zou dan op herkomst uit een onbekende voor-Indo-Europese taal wijzen. Misschien is er dan ook verband met het in betekenis overeenkomende woord → laf. Zie ook nog → lip en → lob 1.
In het Middelnederlands had het woord vooral betrekking op personen en betekende het ‘laks, traag, lui e.d.’. Pas later breidde de betekenis zich uit naar ‘niet stevig’, met betrekking tot een fysieke eigenschap van een voorwerp of materiaal.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

slap* [niet strak] {1265-1270} middelnederduits slap, oudhoogduits slaff, oudnoors slappi [lange, slappe kerel]; buiten het germ. litouws slobti [slap worden], oudkerkslavisch slabŭ [zwak], lets slābs [idem]; hieruit slapen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

slap bnw., mnl. slap (2de nv. slāpes, maar gew. jonger slappes) ‘slap, los, zwak, traag’, mnd. slap, ohd. slaf (nhd. schlaff), vgl. on. slappi ‘lange, slappe persoon’, nzw. slapp ‘arm, niet werkzaam’ en nnoorw. slapa ‘slap omlaaghangen’. — Voor de wisseling -pp-: -p- zal men moeten denken aan affectieve geminatie en niet aan -pp- > - ƀn-, zoals Bloomfield Festschr. Sievers 1925, 92 aanneemt. — lit. slabnas, slóbnas ‘zwak’, slabti ‘zwak worden’, osl. slabŭ ‘slap’. — Zie ook: slapen.

De idg. wt. *slab staat met mobiele s naast *lab, evenzo *sleb: *leb; zie daarvoor: lap. Verder stond daarnaast de wisselvorm met tenuis in auslaut: idg. *lep: *slep (*lap: *slap); zie daarvoor enerzijds laf en met affect. -bb- slab. — Verder nog met nasaal-infigering de wt. *lemb, waarvoor zie: lomp en ook *slemb, vgl. onder slampampen. (IEW 655-657).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

slap bnw., mnl. slap (gen. slāpes, gew. secundair slappes) “slap, los, zwak, traag”. = ohd. slaf (ff) (nhd. schlaff), mnd. slap “id.”. Ndl. dial. (Kamp., Vel., Beierl., Goer.), reeds laat-mnl. slop “slap” is een opvallende bijvorm; ’t is eer een jonge vorm naast slap (ontstaan naar analogie van slak: slok? Zie slaken), dan een oude ablautsvorm. Slap, waarbij nog noorw. slapa, lapa “slap neerhangen”, on. slappi m. “lange vergroeide kerel” hooren, is verwant met obg. slabŭ “zwak”; wat den ablaut betreft (idg. : e) zou lit. sílpti “zwak worden” hierbij kunnen hooren; dit heeft echter blijkbaar idg. p (praet. sílpau), evenzoo slopstu “ik word zwak” (causativum slopinti). Wel is wsch. slapen verwant en verder misschien met idg. ā̆-vocalisme lat. lâbor “ik glijd”, labo “ik wankel” (oorspr. “ik ben slap, sta zwak, heb geen houvast”). Een genasaleerde basis le-m-b- wellicht in oi. lámbate “hij hangt neer” en verwanten: zie bij glimp.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

slap. De vorm slop is deels phonetisch te verklaren (ronding van a door samenwerking van l en p), deels aan invloed van woorden uit de groep van slof en slobberen toe te schrijven.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

slap bijv., Mnl. id. + Ohd. slaf (Mhd. id., Nhd. schlaff) + Osl. slabŭ = slap, Lit. slobti: bij slapen 1 (z.d.w.).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Slap, van den Germ. wt. slep = slapen. Slap is dus de toestand van den slapende: zonder lichaamskracht zijn; bijv.: bij een slapende valt een opgeheven arm weer neer. – Anderen houden omgekeerd slapen voor een denom. van slap, en de wt. slep, Idg. slab, bet. dan: slap zijn. Mogelijk dat slaap aan ’t hoofd zijn naam kreeg door het volksgeloof, dat den zetel van den slaap zich in dat deel van ’t hoofd dacht; anderen denken aan het slappe, weeke deel van ’t voorhoofd (inderdaad is een stoot enz. tegen den slaap gevaarlijk).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

slap ‘niet strak’ -> Duits schlapp ‘niet strak’; Deens slap ‘niet strak; over de wind: zwak’; Frans dialect slap ‘slap, zwak, zeer gedwee’; Papiaments slap ‘niet strak’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

slap* niet strak 1265-1270 [CG Lut.K]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2520. Goed in zijn (slappe) was zitten,

d.w.z. in eigenlijken zin veel slappe was hebben, eene soldatenuitdrukking. Slappe, zwarte was wordt gebruikt voor het glimmend maken van het ledergoedTaal en Letteren IX, 126; XV, 61; Noord en Zuid, XXVIII, 181; Woordenschat, 358; Van Ginneken II, 463: In de was zetten, iets zwart maken: ook in de slappe was zetten. De uitdrukking werd (1860-1885) vooral gebezigd van knevels door kunstmiddelen zwart maken.. Bij overdracht gebruikt men deze uitdr. in den zin van er warm bij zitten, bemiddeld zijn, 't goed kunnen stellen, wat achter 't linnen hebben (Bergsma, 6). Vgl. Nkr. II, 29 Maart p. 4:

 Geen stroozak zal mankeeren,
 Geen krib is ongeverfd,
 De slappe was in voorraad,
 Opdat geen leer bederft.

Lvl. 240: 't Was beter voor jou als jij afscheid nam van die slappewaskennissen (uit de kazerne) van je; Het Volk, 31 Oct. 1913 p. 5 k. 1:

 Amsterdam heeft duiten noodig,
 Amsterdam is slecht bij kas,
 Amsterdam zit al sinds jaren
 Mager in zijn slappe was.

Nederland, Aug. 1914, p. 441: Dan zat hij meteen goed in zijn slappe was! Zoo gek zal hij toch niet wezen, om een weduwe met vijf kinderen te trouwen!

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut