Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slager - (vleesverkoper)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

slager zn. ‘vleesverkoper’
Mnl. slagher ‘iemand die slaat’ in de samenstelling wolslaghers (genitief) ‘iemand die de lakenwol ontwart’ [1248-71; VMNW], hondeslagers ‘zij die loslopende honden vangen en doden’ [1336-39; MNW hondeslager], platenslagher ‘smeder van ijzeren platen’ [1373; MNW platenslager], olyslagher [1437; MNW-P], slagher ‘vechter’ [1400-50; MNW], ‘moordenaar’ in Ic heb mijn lichaem gegheven den slaghere ‘ik heb mijn lichaam gegeven aan de moordenaar’ [1469; MNW-P]; vnnl. slager ‘slachter van vee’ in Slaghers ende vleeschauwers ... kelen zoo menich lam, schaep [1567; iWNT kelen III], slager oft slachter der beesten oft vees [1573; Thes.].
Nomen agentis bij → slaan, afgeleid met het achtervoegsel -er, zie → -aar, en met grammatische wisseling.
De huidige betekenis van het simplex verschijnt pas in het Vroegnieuwnederlands, maar is uiteindelijk de enige geworden. Daarnaast bestaat nog wel de samenstelling touwslager.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

slager* [die dieren slacht] {1573, ouder in de betekenis van ‘hij die slaat, moordenaar’ 1401-1450} van slaan.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

slager znw. m., sedert Kiliaen in de huidige bet., maar mnl. slāgher ‘iemand die slaat, doodslaat, vechter’, vgl. ohd< slagāri in hamir-slagāri ‘iemand die hamert’ en ir-slahāri ‘doder’. — Daarnaast sedert Kiliaen ook slachter (Sax. Sicamb. Fris. Holl.).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

slager znw., sedert Kil. in de tegenw. bet. Met minder speciale bet. mnl. slāgher m. “iemand die slaat, doodslaat, vechter”. = ohd. slagâri in hamir-slagâri m. “persoon die hamert” naast ir-slahâri m. “dooder”. Vgl. mnl. slāghe v. “slachterij” en zie verder bij slaan. Dat het nomen agentis slager niet van den gewonen infinitiefstam gevormd is, daartoe heeft zeker de anomale vorm van een znw. *slaar, *slaër uit *slahâri meegewerkt. Slachter “slager” komt sedert Kil. (“Sax. Sicamb. Fris. Holl.”), den Teuth., ’t Ohd. en Mnd. voor.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

slachter (zn.) slager; Nuinederlands slachter <1573>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

slagter: iemand wat by wyse v. ’n beroep diere dood en gew. ’n slaghuis aanhou; Ndl. slager (hou verb. m. Mnl. slāghen, soos by Kil slāghen, dial. slagen, “(dood)slaan, slag”) naas slachter (hou verb. m. Ndl. slachten, v. slag III), vgl. Ndl. jager, Afr. jagter.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

slager* iemand die beroepsmatig dieren slacht en verhandelt 1573 [Plantijn]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut