Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slag - (soort)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

slag3* [soort] {1638} van slachten1 [lijken op] (vgl. geslacht), of van slag1 in de betekenis ‘(munt)stempel, merk’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

slag 1 o. (soort, aard), + Hgd. schlag: hetz. w. als slag 2: z. slachten 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

3slag s.nw. (minder gebruiklik; verhewe)
Aard, soort.
Uit Ndl. slag (Mnl. slacht), wat nog polisemies verband hou met slag (1slag) se Ndl. herkomswoord slag in die bet. 'stempel, merk'. Afr. slag (3slag) het al egter tot 'n homoniem van slag (1slag) ontwikkel.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

slag II: soort (bv. dié slag v. mense); Ndl. slacht (Mnl. slacht(e), “geslag, soort”); hierby Ndl. ww. slachten (Mnl. slachten, “aard na; lyk op”), vRieb (15.6.1656) sê i.v.m. die Hottentotte: “slaghten de vogels, die liever in ’t wilt vliegen als de beste coninghs zalen bewoonen”.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Slachten (vee slachten), van slacht (bijv. Slachtmaand; wij zijn in de drukte van de „slacht”) en dit een afl. op t van ’t oude slahan (zie Slaag), vgl. ’t Os. man-slahta = manslag; slachten is dus letterl.: het vee doodslaan; later: het vee voor gebruik dooden (de wijze van dooden werd uitgebreid, o.a. ook door: snijden, steken; het doel van ’t dooden werd echter beperkt: voor comsumptie).
Ook de bet.: aarden na: „hij slacht zijn vader wat”, is hetzelfde woord; in ’t Ohd. zei men bijv.: „nah den fordoron slahan” = naar de vaderen slaan, d.i. denzelfden aard hebben; vandaar: geslacht = geaardheid, soort, afstamming; evenals slag = soort: „van allerlei slag. De afl. van slagen: in zijn pogingen, voor een examen, enz. is niet duidelijk.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

slag ‘soort’ -> Fries slach ‘soort’; Noors slag, slags ‘soort’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds slag ‘soort’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins laji ‘soort’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

slag* soort 1638 [WNT slaan]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut