Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slag - (klap)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

slag zn. ‘klap; strijd; soort’
Onl. slag ‘klap’ in Vuanda ne ist ... festi an slege iro (datief ev.) ‘want er is geen vastheid bij hun tegenslagen’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. slach, ook ‘het doden, doodslag’ in Om desen mordeliken slach ‘door deze moordpartij’ [1285; VMNW], Jn galilee ghesciede dese slach ‘deze catastrofe vond plaats in Galilea’ [1285; VMNW], ‘gelegenheid’ in [si] wachte ... haren slach ‘zij wachtte op een goede gelegenheid’ [1290-1310; MNW-R], ‘muntslag, stempel’ in Dese slach es over waer Ouder dan CC jaer ‘deze muntslag is zeker ouder dan 200 jaar’ [1300-25; MNW-R], ‘list, streek’ in visierden si den slach ‘beraamden zij de list’ [ca. 1321; MNW], So sloech vrou Venus haren slach ‘toen sloeg Venus haar slag’ [1470-90; MNW-R]; vnnl. slach ook ‘strijd tussen vijandelijke strijdmachten’ [1532; iWNT veldslag I], ‘aard, soort’ [1599; Kil.].
Afleiding van de wortel van het werkwoord → slaan, met grammatische wisseling.
Os. slag (mnd. slach); ohd. slag (nhd. Schlag); ofri. slei; oe. slege; on. slagr (nzw. slag); got. slahs; alle ‘het slaan, klap’, met diverse afgeleide betekenissen, < pgm. *slagi-, met grammatische wisseling horend bij *slahan- ‘slaan’; on. slag (nde./nno./nzw. slag) is onz. en een a-stam < pgm. *slaga-, maar heeft dezelfde betekenis als de mannelijke stam.
Het woord had in het Middelnederlands een ruimer betekenisprofiel dan nu. De hoofdbetekenis is wel altijd ‘klap, het slaan’ gebleven, maar diverse afgeleide betekenissen en betekenisnuances zijn nog te zien in vaste verbindingen, zoals zijn slag slaan ‘een goede gelegenheid uitbuiten’, en in samenstellingen als golfslag, ‘het slaan van de golven tegen de wal of kust’, → hagelslag (oorspr.) ‘het neervallen van de hagel’, hartslag ‘het kloppen van het hart’, → kwinkslag (bij ‘list, streek’), steenslag ‘door slaan, kloppen e.d. losgekomen steenschilfers’. Veel woorden zijn ook afgeleid van een werkwoord met slaan, zoals → aanslag, → beslag, inslag, toeslag.
De betekenis ‘strijd in het open veld tussen twee vijandelijke strijdmachten’ is een betekenisontlening aan Hoogduits Schlacht ‘id.’, zie → slachten, waarnaast ook de samenstelling veldslag ‘id.’ [1561; iWNT veldslag I] uit verouderd Hoogduits Feldschlacht.
De betekenis ‘soort’, zoals in een vreemd slag mensen en een slag groter ‘van een soort die één maat groter is’, heeft zich mogelijk ontwikkeld uit die van ‘op munten ingeslagen stempelafdruk’, maar zal zeker mede beïnvloed zijn door → geslacht o.a. ‘soort, aard’; het woord slag werd in deze betekenis later onzijdig, mogelijk onder invloed van het woordgeslacht van geslacht.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

slag1* [klap] {slach 1220-1240} gevormd van slaan (sloeg geslagen). De uitdrukking slag houden [in dezelfde maat werken] is mogelijk ontleend aan het smeden. De uitdrukking ergens een slag naar slaan [ergens willekeurig naar gissen] luidde oorspr. ergens naar slaan, als de blinde naar het ei. Het was een volksvermaak met een blinddoek voor naar een ei te slaan. Voor de uitdrukking zonder slag of stoot [zonder enige tegenstand] vgl. middelnederlands eer mer gaf slach of stoot [eer het gevecht begon]. Bedoeld zal zijn de slag van het zwaard en de stoot van de lans. De uitdrukking met de Franse slag [niet grondig] was in de 17e en 18e eeuw een uitdrukking uit de rijkunst, vermoedelijk een bepaalde slag met een lange zweep. De uitdrukking een slag om de arm houden [zich niet onherroepelijk ergens voor verklaren] geeft het beeld van een eind touw dat men niet helemaal wil laten vieren, maar waarvan men het eind om de arm houdt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

slag znw. m., mnl. slach m. o. ‘slag; golfslag; doodslag; ongeluk, geluid van een slag; muntstempel; toeslag bij koop; wagenspoor, weg; knip, val’, onfrank. slege (3de nv. enk.), os. slegi, ohd. slag (nhd. schlag), ofri. slei, oe. slege, on. slagr < germ. *slagi met gramm. wiss. afgeleid van slaan. — Andere vormen zijn 1. germ. *slahi: got. slahs m. (tenzij de h secundair uit g zou zijn ontstaan), 2. *slaga-: on. slag o. ‘slag, strijd, slachting’, 3. *slagō: mnl. slaghe v. ‘slachthuis, epidemie’, os. hof-slaga ‘hoefslag’, ohd. slaga v. ‘het slaan, hamer’, mhd. slāge, slâ v. ook ‘spoor, weg’ en 4. *slagōn: os. ohd. man-slago, oe. monn-slaga ‘mensendoder’, ofri. mon-slaga ‘manslag’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

slag znw., in alle bett. éénzelfde woord, mnl. slach (gh) m. (o.) met ruime bet.-sfeer. De oorspr. bet. is “het slaan, klap”. = onfr. slege (dat. enk.), ohd. slag (nhd. schlag), os. slegi, ofri. slei, ags. slege, on. slagr m. “id.” (en secundaire bett.), germ. *slaʒi-: met gramm. wechsel bij slaan. Got. slahs m. “slag” heeft h naar ’t ww. slahan. Vgl. nog on. slag o. (*slaʒa-) “slag, strijd, slachting”, — mnl. slāghe v. “slachthuis, epidemie”, ohd. slaga v. “het slaan, bewegen, hamer”, mhd. slāge (slâ) v. ook “spoor, weg”, os. hôf-slaga v. “hoefslag”, — ohd., os. man-slago, ags. monn-slaga m. “menschendooder”, ofri. mon-slaga m. “manslag”. Voor de bet. “spoor, weg”, die ook mnl. slach heeft, vgl. ier. slige “weg”, slicht “spoor” bij sligid “hij slaat neer”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

slag 2 m. en o. (in alle andere bet.) , verbaalabst. van slaan.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

slaag (zn.) slag, klap; Vreugmiddelnederlands slach <1285>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1slag s.nw.
1. Hou, klap, daad van slaan. 2. Ongeluk, ramp. 3. Militêre geveg. 4. Keer of geval dat 'n klok slaan. 5. Skielike harde geluid. 6. Klopping van die hart of pols. 7. (geselstaal) Keer, geleentheid. 8. Swem- of roeibeweging. 9. Keer of geval dat of manier waarop 'n bal geslaan word. 10. (kaartspel) Kaarte in een rondte gespeel, of die punte hierdeur verdien. 11. Draaiing, winding. 12. Bekwaamheid, handigheid.
Uit Ndl. slag (Mnl. slach in bet. 1 - 7, 1723 in bet. 8, 1769 - 1811 in bet. 9, 1806 - 1807 in bet. 10, 1860 - 1861 in bet. 11, 1860 - 1875 in bet. 12). Eerste optekening in Afr. in bet. 7 by Changuion (1844).
D. Schlacht (9de eeu).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

slag (de, -en), 1. stoot (ook bij een val). Henri is er bij die botsing nog goed afgekomen, hij had alleen een lichte slag aan* het hoofd. - 2. kort voor slaghamer*: z.a. - Etym.: Zie i.v.m. bet. 1 slaan* (1).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

slag I: hou; knal; geveg; geluid; klopping; ramp; roei- en swembeweging; handigheid; keer; Ndl. slag (Mnl. slach), Hd. schlag, hou verb. m. Ndl./Afr. slaan, v. sla.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

slag 'verdeelde grond'
Bij slaan 'gronden verdelen om deze te ontginnen of tot bouwland te maken' (vooral Oostmnl.). Eenmaal ontgonnen is de betekenis 'perceel, verdeelde grond, strook wei- of bouwland van onbepaalde grootte, een zeker aantal van aaneensluitende akkers'. Vergelijk aanduidingen als braakslag, zommerslag, winterslag en haverslag1. Enkele voorbeelden van het gebruik van slaan: 1363 "In den yersten sal die Bisscop van Utrecht voerseghet dat Mastebroec slaen tusschen hier ende Sinte Martyns misse in den Winter nu naestcomende over twe jaeren"2 en 1364 "Dat onse schepene ende raet ... van Arnhem slaen moeten ende doen slaen ... Arnhemerbroec, dat hertoe der stat gemeynte geweest heeft"3.
Lit. 1NGN 1 (1884) 58, 2Van Mieris III 151, 3MNW sv Slaen.

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

slagje In de betekenis ‘borrel’ in 1929 in Winschoten gehoord, als sloechie. In het kaartspel werd deze term gebruikt voor ‘wat men in één keer wint of naar zich toehaalt’. Waarschijnlijk ging het dus om een borrel die in een teug werd uitgedronken. Daarnaast betekende sloechie ‘(klein, onverwacht) winstje’.

[Ter Laan 1929:915; WNT XIV 1842]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

slag ‘aantal rechthoekig geschikte turven, die de grondslag vormen voor een stapel’ -> Duits dialect Slach ‘aantal rechthoekig geschikte turven, die de grondslag vormen voor een stapel’.

slag ‘klap; handigheid; zwemstijl; winding van touw’ -> Fries slach ‘klap; strijd’; Deens slag ‘ruimte die overblijft tussen de lading en de wanden van een schip’; Russisch šlag ‘omwinding van touwwerk om iets’; Indonesisch selag, selah, slah ‘handigheid die vereist wordt om iets goed te verrichten’; Ambons-Maleis slag ‘in één keer; voor iets dat plotsklaps plaatsvindt’; Balinees selah ‘positie’; Menadonees slak ‘klap’; Petjoh kodokslah, kikkerslag ‘bepaalde zwemstijl, schoolslag’; Negerhollands slaa ‘klap’; Sranantongo slag ‘klap; tegenslag’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

slag* klap 1220-1240 [CG II1 Aiol]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

slag: in de — zitten (← Fr. être dans le coup), met andere wielrenners afgesproken hebben om elkaar te steunen in de koers en om samen de winst te delen.

‘Moeten we de verstandhouding tussen Van Holen en Hoste aanzien als een soort combine, een komplot tegen Contini?’ ‘In feite wel, natuurlijk. Onze twee landgenoten gingen “in de slag”, om een populaire term te gebruiken.’ (Het Nieuwsblad, 19/07/86)
de — missen, bij een wielerwedstrijd niet in de goede ontsnapping zitten, maar toch niet definitief verslagen zijn.
Ottenbros vroeg wat wij die dag gedaan hadden. Gekoerst. En? Mijn makker zei: ‘Ik heb de slag gemist.’ (Tim Krabbé: De Renner, 1984)
Het waren met name de ADR-renners die — de slag gemist — de achtervolging op het kwintet organiseerden. (Wielerrevue, 15/04/88)
De Zwitsers misten de slag in de etappe, waarin de renners veel last hadden van de hitte. (NRC Handelsblad, 17/06/88)
Wanneer hij vandaag op weg naar l’Alpe D’Huez weer de slag mist, dan mag hij meteen naar de dure Mercedes fluiten die Bernard Tapie hem bij een eindzege heeft beloofd. (De Morgen, 14/07/88)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

303. Een boom valt niet met den eersten slag,

eene moeilijke taak kan niet in eens volvoerd worden. Dit spreekwoord is bij vele schrijvers te vinden. In het mlat. arbor per primum nequaquam corruit ictum (Werner, 4); in het mnl. niet en valt die boom ten iersten slage; een boom die vast ghewortelt staet en valt ten eersten slaghe nietMnl. Wdb. VII, 1184.; Campen, 114: die boem en valt niet van eenen slach; Prov. Comm. 200; Servilius 31; Sartorius, 1, 9, 63; Bebel, 458; De Brune, 66:

 De eyck, die vast ghewortelt staet,
 De eerste slagh niet neer en slaet.

Tuinman I, 87; Harreb. III, 138-139 en vgl. fr. l'arbre ne tombe pas du premier coup; hd. auf dem ersten Hieb fällt kein Baum; es fällt keine Eiche mit einem Streiche; eng. a first stroke fells no tree.

911. In het hoekje zitten, waar de slagen vallen,

d.w.z. aan allerlei leed bloot staan, een Jan Ongeluk, een Jonas zijn. Zie bij Sartorius II, 8, 79: Sus sub fustem. In het hoeckxken daer de slagen vallen. Ubi quis sese in praesens discrimen aut pernitiem praecipitat; Winschooten, 278: Hij wierd met het spit gesmeeten: en hij heeft van het gebraad niet gegeeten: dat is, hij komt altijd in het hoekje, daar de slaagen vallen; De Brune, 462: Hy heeft het vijfde vierendeel. In 't hoeckjen daer de slaghen vallen; Tuinman I, 298; nal. bl. 7: Men is gehouwen of geslagen. Dit wil zeggen men komt altyd slecht uit, men is altyd in 't hoekje daar de slagen vallen; II, 197; Halma, 220: Hij komt altijd in 't hoekje daar slagen vallen, hij krijgt altijd eenig ongemak; Sewel, 337; Harreb. I, 310; Nkr. I, 5 Jan. p. 3; VII, 15 Mrt. p. 2.

1350. Leer om leer,

d.w.z. gelijk met gelijk vergelden, met gelijke munt betalen; dikwijls met de toevoeging: sla je mij, ik sla je weer (Harreb. II, 12a); mnd. ladder um ladder. Vgl. oog om oog, tand om tand; het lat. par pari referre; hd. Wurst wider Wurst; fr. rendre fève pour pois; eng. tit for tat; to give Roland for an Oliver. In de 16de eeuw komt de zegswijze voor in het Antw. Liedb. 117: Wi willen gaen spelen leer om leer. In de 17de eeuw ook met het achtervoegsel, zooals blijkt uit Taal en Letteren IV, 180, waar geciteerd wordt uit een werk van 1613: Aldus spelen sy (volgens t' gemeen spreekwoort) leder om leder, slaet ghy my, ick sla u weder; Brederoo, Moortje, vs. 1279: Somma speelt leer om leer, en gheeft haar waar om waar; Hooft, Brieven, 462; Rusting, 501; Sewel, 442: Dat is leer om leer, dat is betaald gezet, that is like for like; Halma, 306: Ik zal u leer om leer geeven, je vous rendrai pain pour fouace; Ndl. Wdb. VIII, 1208: Villiers, 72; enz. Syn. is de uitdr. lap om leer (17de eeuwV.d. Venne, 257: 't Is lap om leer, smijtje mijn, ick beuckje weer.), die hier en daar nog gebruikt wordt; zie Ganderheyden, Groningana, 35 b en Tuinman I, 297: 't Wil zeggen, een schoelap om een zool, d.i. lood om oud ijzer. In Westvlaanderen schijnt de uitdr. te beteekenen ‘om het zeerst’; zie De Bo, 1036 b, die haar gebruikt ter verklaring van slag om slinger. In het oostfri.: lër um lër (sleist du mi, sla ik di wër); fri. lear om lear.

1534. Een slag (een klap of een tik) van den molen weg (of beet) hebben,

d.w.z. eig. zulk een slag van den molen gekregen hebben dat men er van suizebolt, draait, en vandaar bij overdracht: niet wel bij het hoofd zijn, niet bij zijn verstand zijn; (van lotje) getikt zijn; fr. être toqué; hd. einen Klaps haben; eene algemeen en in de 17de eeuw reeds voorkomende uitdr. Zie o.a. Bank. II, 285: Veel taelkundige luyden, een zwingh van pedanterye, en een slagh van het waeytuygh hebben, dat-men molen noemt; Hondius, Moufeschans, 195:

 Vele sijnder die ter degen
 Van den meulen wel betaelt
 Hebben sulcken slach gecregen,
 Dat haer hooft noch altijts maelt.

Brederoo I, 247, vs. 126: Ay lieve loop vry speulen! gy murrewert, wat deed je soo nae an de meulen? Hoe rammelt jou dat hoofd, nou, sot, laet mijn met vreen! In denzelfden zin was bekend: een gons (van den molen) hebben (of weghebben), een molenslag hebben of een (halven) brui (van den molen) weghebben, waarvan voorbeelden te vinden zijn in het Ndl. Wdb. V, 399; IX, 1029; III, 1616. Zie verder van Effen, Spect. IX, 100; C. Wildsch. II, 234; Halma, 357: Eenen slag van den molen hebben, half gek zijn, avoir un coup de hache; vgl. Harreb. II, 95: Hij heeft een slag van den Kamper (of Jutfaaschen) molen weg (Tuinman I, 271) of van den molen van Tuil (zie Ndl. Wdb. VII, 581); Ndl. Wdb. IX, 1023; Uit één pen, 99: De man kan toch niet helpen, dat hij zooveel als een tik van den molen heeft; Zevende Gebod, 118: Se heit een klap van de molen te pakken; Nkr. I, 14 Juli p. 6: Wij zouden zeggen, ze kregen een klap van de molen of ze zagen ze vliegen; De Arbeid, 4 Oct. 1913, p. 4 k. 1: Ik geloof dat-i niet recht snik is of om op z'n Hollandsch uit te drukken een tik van den molen te pakken heeft; Handelsblad (avondbl.) 5 Dec. 1913, p. 9 k. 3: Zijn kameraden zeiden steeds, dat hij een klap van den molen beet had; 11 Juli 1914, p. 1 k. 4 (ochtendbl.). Eenigszins anders in Het Volk, 16 Juli 1914, p. 8 k. 3: Met een gezicht als kreeg hij een klap van den molen zat de geachte voorsteller te kijken. In Groningen zegt men: hij het 'n slag mit de mölnrou had; in Drente: een slag met de puil had hebben (Bergsma, 77); in Limb.: hê heet ene slaag van de rooi (Onze Volkstaal II, 226 b) en in Zuid-Nederland: 'n klets van de zweep weg hebben (zie Antw. Idiot. 664); hij heeft een draai weg; hij heeft een slinger; een slag van den slingermeulen of van de slingeren (vleugels) van den molen hebben; hij heeft een smeet van den meulen weg (Schuermans, 103; 623; 630); eenen tik hebben, een tik of slag van den molen of van het moleneinde hebben, (De Bo, 1151; Waasch Idiot. 435 a; Joos, 122); in het Friesch: hy het in slach mei de moalpûde (meelzak) hawn, waarmede te vergelijken is het 17de-eeuwsche een beuck hebbenNdl. Wdb. II, 2271.; oostfri. he hed 'n slag mit de sak had, en slag mit en Dummbüdel (Dirksen I, 83); Sart. I, 9, 22: ‘hy heeft een slach met de meelsack wech; hy heeft ter moolen geweest, in insanos competit’ en de vroeger herhaaldelijk voorkomende zegswijze van den molen (of met den meelbuidel, met den meele) bestoven zijn, zich mal aanstellenNdl. Wdb II, 2185; Kalff, Het Lied in de Middeleeuwen, 411 en Leuv. Bijdr. IV, 329: Die metten meelsac van tuylen zyn ghesmeten; Bank. II, 241; Als of ze van de molen bestoven, en haer herssens een slagh daer van wegh hadden; zie ook bl. 395; Smetius, 75: Hy en heeft gheen goet hooftvleesch; hy is te naer by de meulen geweest.. Zie no. 1535.

2054. Ergens naar slaan,

ook wel ergens een slag naar slaan, d.w.z. ergens in het blinde naar raden; Kil.: Slaen nae eenigh dinck, j. gheraeden, coniicere, coniectare. De zegswijze luidde oorspr. ‘ergens naar slaan, als de blinde naar het ei’, zooals blijkt uit Lekensp. I, 2, 60:

 Niement en mach volweten
 Sine (Gods) ghedane, noch sijn wesen;
 Ende die daer meest na lesen,
 Dolen meest weder ende wey,
 Alse die blinde die slaen na tey,
 Dat haerre gheen gheraken en canMen moest trachten geblinddoekt een ei, dat aan een koord was opgehangen of op den grond was gelegd, met een stok stuk te slaan..

Zie verder Sp. d. Leken, 78 r: Hi sloecher vaste mit een stocke na, ghelijc dat die blinde na den eye doet; Hild. 169; 463: den blinden slach slaen, in den blinde slaan; Teest. 1475; 1496; Mnl. Wdb. VII, 1215; Campen, 123: ick slae daer nae als die blinde nae 't Ey; Servilius, 40: hy slaet daer na gelyc de blinde na dey; Pf. Muller, 584 (anno 1607), bl. 2 v: Desen slaet als eenen blinden naer 't ey metter gis; Hooft, Tac. Ann. 280; Harreb. I, 62 a; III, 131 b; Erasmus, CCLXVI; Schuermans, 60; Joos, 28: slaan gelijk de blinde naar 't ei; Antw. Idiot. 400: blindeislaan, geblinddoekt naar een ei slaan; 1112: naar iet slagen, er naar raden; naar iet slagen gelijk 'nen blinde naar 'en ei; Waasch Idiot. 123 b; 594 a; Tuerlinckx, 85: blindemanslaan; Kinderspel IV, 148-150. In het Friesch: hy slacht (of riedt) der nei as de bline nei 't aei en hy slacht der in slach nei. Zie no. 2058 en vgl. het vroegere blindpotten, slaan naar een pot, dien men niet kon zien; in den blinde handelen (Ndl. Wdb. II, 2862).

2059. Een slag slaan in (of naar) iets,

d.w.z. iets op den gis ramen; eig. in het wilde, in het honderd naar iets slaan, lukraak; mnl. den blinden slach slaen. Zie no. 2054 en vgl. Winschooten, 257: Slaat 'er een slag in: doet het bij de gis; Halma, 582: Wij moeten 'er eenen slag in slaan, wij moeten 't bij de gis raamen; Van Effen, Spect. IX, 147; Tuinman I, 225 verklaart men moet 'er een slag in slaan, de zaak door inschikking vereffenen. Vgl. voor Zuid-Nederland De Bo, 1028 a; Rutten, 206 b; Waasch Idiot. 593 b; Antw. Idiot. 1111: er 'ne(n) slag deur slagen, iets bij benadering bepalen, sprek. van eene rekening, eene schuld.

2060. Zijn slag slaan (of waarnemen),

d.w.z. eene gunstige gelegenheid waarnemen; mnl. sinen slach wachten of merken; eig. gezegd van iemand die strijdt en het gunstige oogenblik waarneemt om zijnen tegenstander te treffen (vgl. het mnl. sinen slach sien, zijne kans schoon zien), of gezegd van een kaatser, zooals men zou opmaken uit Vondel, Gebroeders (anno 1650), bl. 25: Den hemel kaetst uw toe: dies neem die slagh nu waer. Bij Sartorius I, 8, 37: neemt u slach waer; smeet het yser als 't heet is; zoo ook III, 5, 2; Vondel, Virg. I, 177; II, 230; Pers, 78 a; 739 a; Rusting, 220; Janus, 8: zijnen slag waarnemen; Halma, 582; Sewel, 721; Harreb. II, 271; Dievenp. 115; Landl. 363; enz. In het fri. in slach slaen, belangrijk voordeel behalen; eng. to do a good stroke of business; fr. faire son coup; hd. seinen Schlag machen naast seinen Schnitt machen, dat doet denken aan het slaan (dorschen) en afsnijden van het graan en te vergelijken is met het Bredaasche goed zijn snitjes snijden (doen of maken); zie Hoeufft, 558 en vgl. vooral De Bo, 1028 a, alwaar o.a. uit de 16de eeuw wordt aangehaald zijn slach schoon zien; verder Waasch Idiot. 593; Antw. Idiot. 1111; Rutten, 206 b: zijnen slag schoon hebben, in gunstige omstandigheden zijn om iets te doen; en vgl. nog het mnd. sinen toge tên, seinen Profit machen. Syn. was in de 18de eeuw zijn grut slaanNdl. Wdb. V, 1179..

2061. Zonder slag of stoot,

d.w.z. zonder een slag met het zwaard of een stoot van de lans; zonder eenigen tegenstand. Vgl. Maerlant, Oversee, vs. 221: Bi Carle, die node sach dat si (de kerk) stoot ontfinc of slach; Melis Stoke VIII, vs. 1091: Soudemen in deser noot sonder slach ende sonder stoot tlant upgheven? Sp. Hist. IV7, 33, 49: Sonder slach ende sonder stoot (vgl. 12: sonder slach ende clop; Heelu, 2684: Sonder slach ende sonder steke (niet in een strijd maar door ziekte); Exc. Cron. 138 b: Si en schoten niet eenen schoot, maer lieten se incomen sonder slach oft stoot; Vondel, Gijsbr. v. Aemstel, vs. 6:

 De vyant, zonder dat wy uitkomst durfden hoopen,
 Is, zonder slagh of stoot, van zelf het velt verloopen.

Pers, 161 b; V. Janus III, 222; Sewel, 721: Zonder slag of stoot, without drawing a sword, or without any resistance; Halma, 582; Harreb. II, 272 a en Oudemans, Wdb. op Hooft, 455; Afrik. sonder slag of stoot.

2062. Op slag komen (of raken),

d.w.z. goed aan den gang komen, de vaardigheid, de handigheid van iets beetkrijgen, op streek komen (vgl. de kluts kwijt zijn); op slag zijn, goed aan den gang zijn, de vaardigheid beethebben; eig. de bepaalde wijze van slaan (voor het eene of andere doel, bijv. het dorschen, roeien, smeden of kaatsen noodig) kennen. Zie Molema, 379: an slag kennen komen, kunnen beginnen; Ten Doornk. Koolm. III, 190 a; bij Rutten, 207 a: op slag kunnen komen, zijne spreekbeurt krijgen, dat wellicht te vergelijken is met geen slag aan den bak kunnen krijgen, door het praten van anderen niet aan het woord kunnen komen (Ndl. Wdb. II1, 872); fri. op slach reitsje; hy is aerdich op 'e slach, slaat gelukkige ballen; Afrik. hy kom nou op slag.

2063. Slag houden,

d.w.z. in dezelfde maat iets verrichten; hd. Takt schlagen, halten; Schlag halten; eng. to keep stroke, bij 't roeien (vgl. Vondel, Virg. II, 93; 134); Kil. Slach, mate in den sanck, modi, moduli, mensurae cantus, numeri; slach houden int danssen, j. voet houden; mnd. slach, mass, takt. De uitdr. kan ontleend zijn aan het smeden, zooals blijkt uit Ferguut, vs. 1875:

 Noit smet bet slach hilt
 Dan si twee, op een anebilt.

Vgl. Cats I, 509: Daer er veel smeden moet men slagh houden; De Brune, 282: t Is van nooden slach te houden, daer der vele smeden zouden; Vondel (ed. Unger), anno 1646, bl. 151: De smeden onderling uit al hunne kracht slagh houden; Sewel, 721: Slag houden (gelyk ankersmidts), to strike exactly at one's turn; Halma, 582: Slag houden, op zijne beurt slaan gelijk de smeden; 203: Hamerslag houden, battre le fer l'un après l'autre, comme font les forgerons; Grimm IX, 326; Ten Doornk. Koolman III, 190; Ndl. Wdb. V, 1744. In Zuid-Nederland: slag houden, op maat kunnen dorschen (Antw. Idiot. 1112); slag houden in 't spreken, op zijne beurt goed kunnen redeneeren (vgl. no. 2062 en Halma, 582).

2064. Met den (of een) Franschen slag,

d.w.z. niet degelijk, niet grondig, onnauwkeurig, slordig en half. In de 17de en 18de eeuw was de uitdrukking bekend als term in de rijkunst. Vgl. Gew. Weeuw. III, 6: Zy verstaan de Fransche slag, d.i. het klappen van de zweep; Van Effen, Spect. I, 30: Wy leiden 'er de Fransche slag eens over, en lieten hem de hielen van onze ruintjes zien; bl. 56: Ik ben tegenwoordig bezig met een Tractaatje te schryven, over de Konst van een Sweep wèl te handelen, beneffens een nauwkeurige beschryvinge van een nieuwe Fransche slag, die ik zelfs heb uitgevonden; bl. 80: Dat je maar een broddelaar bent, en de Fransche slag niet eens weet ter degen te slaan; Bartelink, Beemst. Kermis (1774), bl. 3: Men hoort (op eene paardenmarkt) den franschen zweepslag kletsen, door vaardig slingeren, terwijl de kooplien zwetsen; E. Wolff, Walcheren (1769), bl. 198: Jan slaat den Franschen slag en doet het (schoone span) lustig springen; zie ook Nav. III, bijbl. CXCI en Harreb. I, 195: Hij legt er de Fransche zweep overheen of hij slaat den Franschen slag; Jord. 133: Tusschen het gepel en gekook, beredderde ze de grienende kinderen, met franschen slag. Onder een Franschen slag zal men dus een bepaalden slag met een lange zweep moeten verstaan, wellicht een die los en zwierig is; vandaar kon met den Franschen slag de beteekenis aannemen van: op losse, zwierige wijzeVgl. Het Volk, 27 Mei r915, p. 1 k. 1: Het is wel geen bezem, waar de jonge professor mee werkt, het is eerder een zwabber - maar groot is het ding, waar hij mee zwaait, en hij doet het met een Franschen slag., luchtig, niet degelijk. In het fri.: him er mei in franske slach ôfmeitsje. In Noord-Holland zegt men: ergens een bolstaart van maken, er zich met een Franschen slag afmaken (De Vries, 66); in de Zaansche volkstaal: iets 'en streek van Pauw geven, iets met den Franschen slag doen (Boekenoogen, 734De beteekenis van ‘handigheid’ heeft Fransche slag bij J.J. Cremer, 't Hart op de Vêluw: Hoe 't zoo geloopen was, kos Bram zich eiges niet verkloaren, maar met 'en wondere Franse slag had die tolboas hum tot den aftocht bewogen.).

2065. (Den) slag van iets (beet)hebben,

d.w.z. bedreven, behendig zijn in iets; iets gemakkelijk kunnen doen; de behandeling van iets beethebben, er het stieleken van hebben (Waasch Idiot. 629 b). Vgl. voor de 17de eeuw Van Moerk. 202: Al weer moet ic door beswering maken gewach, met een drolligen slach soo sal 't in zijn werck gaen; Winschooten, 257: Slag een handeling of habitus, of handigheid, dexteritas beteekend: dat is geen slag: hij heeft 'er geen slag van; Vondel, Aenleidinge: Wie dit maghtigh is, en daer den slagh van heeft, kan veel velts winnen; Harreb. II, 270; Antw. Idiot. 1111: van iet den slag weg hebben, het kennen; hij heeft den slag van de zweep weg of hij kent den slag van de zweep, hij weet hoe hij 't moet doen, hoe hij 't moet aanleggen. Synoniem is het vroegere een greep in iets hebben, waarnaast ook voorkomt den (de) greep weghebben (Waasch Idiot. 265 b; hd. etw. im Griffe haben), de handigheid van iets beethebben, waarin greep uit de bet. wijze van aanvatten, manier van handelen, die van vaardigheid, handigheid in het algemeen ontwikkeld heeft (Ndl. Wdb. V, 637). Vgl. ook het fri. de guit of de goaiVgl. ga je gooi; no. 715. der fen habbe; oostfri. hê hed d'r gôd slag fan (Ten Doornk. Koolm. III, 190 a); de pak van iets hebben, dat in het Bredaasch, Limburgsch en Antwerpsch bekend is (Hoeufft, 447; Antw. Idiot. 933; 't Daghet, VII, 49); ievers de snee van weghebben (Antw. Idiot. 1138); het noordh. er den vaat van weg hebben (Bouman, 110); westfri. er de fit (vgl. eng. fit?) van weghebben (De Vries, 70); het Vlaamsch den feem hebben van iets (De Bo, 317 b) en het Hagelandsche den trek van iet eweg hämme (Tuerlinckx, 634); in het Antw. Idiot. 1263: den trek van iets vasthebben. Zie no. 806 en vgl. dial. hd. den Schlag haben von etwas; eng. to get the hang of a th.; fri. hy hat er aerdich de slinger fen; Afrik. hy het die slag om dit te doen.

2066. Een slag om den arm houden.

Dit wordt eigenlijk gezegd van een touw, dat men niet ten einde toe laat vieren; vandaar: zich niet onherroepelijk en stellig voor iets verklaren, maar zóo, dat men altijd nog terug kan. Vgl. Tuinman II, 120: hij houdt de streng, of een slag, om den arm. Eene synonieme uitdr. was de bocht onder (of achter) den arm hebben, dat wellicht eveneens ontleend is aan het vieren van een touw, dat men niet terstond geheel laat uitloopen, maar waarbij men een bocht, een slag om den arm houdt, teneinde het uitschieten te beletten. In Groningen en Oost-Friesland beteekent de bocht om de(n) arm hebben welgesteld zijn, er warmpjes in zitten. Zie Ndl. Wdb. II1, 651; III, 16-17; Bergsma, 7; Kippev. I, 375; Handelsblad, 15 Dec. 1914, p. 1 k. 1 (avondbl.): Het Oostenrijksche bericht over den toestand in Servië is een merkwaardig bewijs van de slag-om-den-arm-politiek, die in de oorlogvoerende landen in moeilijke omstandigheden worden gevolgd; Ten Doornk. Koolm. III, 190; Dirksen II, 76 en vgl. het Friesch: hy het de bocht om 'e earmtakke (elleboog), hij heeft wel geld, is boven Jan; hy hâldt in slach om 'e earmtakke, behoudt zich iets voor, zorgt gedekt te zijn; de slach om 'e earm habbe, zijn zaak geldelijk goed kunnen drijven; in slach om 'e earm(en) hâlde, niet alles zeggen, wat men denkt. In Twente: nein drei um 'n arm holden; Afrik. hy hou nog maar 'n slag om die arm.

2143. Op (den) sprong staan (zijn),

d.w.z. juist gereed staan; eig. op het punt staan van te springen (vgl. op slag, eig. op het punt van te slaan; Boekenoogen, 928); op het hippen zijn (17de eeuw); westvl. op schote staan, eig. gereed staan om te schieten; daarna op het punt staan om iets te doen (De Bo, 1005); syn. van op de mik staan (Loquela, 319); fri. op 'e sprong stean; mnl. op den spronc sijn; Campen, 119: hy staet altoes op een spronck; bij Hooft, Brieven, 499: Mits dezelve my zeide, met UEd.Gestr. op eenen sprong naa de Beemster te staan; E. Wolff-Bekker, De beide Vriendinnen: Maar, van de vertelling dat ik reeds getrouwt ben, en dat myne vriendin alledaag op den sprong staat, is zelf de schaduw der schaduw een zot verdichtsel. Bij Schuermans, 664 b: op het springen staan of op sprong staan, op 't punt zijn van aan de deur gezet te worden; in het oostfri. dat steid up de sprung. In de 17de eeuw beteekende op een sprong, ter sprong, eensklaps, dadelijk, schielijk, fr. tout d'un saut; syn. op een bocht; vgl. Vondel, Lucifer, vs. 851; Pers, 215 a; Huygens I, 167; Tuinman I, 351. Ook in het hd. auf dem Sprunge stehen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut