Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slachten - (lijken op)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

slachten1* [lijken op] {1201-1250} middelnederduits slachten, van middelnederlands slachte [geslacht, soort], oudnederlands, oudhoogduits slahta, oudsaksisch slaht; zelfde afleiding als slachten2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

slachten 2 ww. ‘lijken op, aarden naar’ mnl. mnd. slachten is afgeleid van germ. *slahtō- vgl. mnl. slachte, slacht v. ‘geslacht soort’, onfrank, slahta v. ‘generatio’, os. slaht o. ‘geslacht’, ohd. slahta v., slaht o. ‘soort, geslacht’, zie een afl. van slaan. — Zie ook: geslacht.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

geslacht znw. o., mnl. gheslachte, gheslechte o. “geslacht, geboorte, afkomst, soort”. = ohd. gislahti o. “geslacht, eigenschap” (nhd. geschlecht), mnd. geslecht, ofri. slacht(e) o. “geslacht”. Dit *ʒi-slaχtia- sluit zich in tegenstelling tot *ʒi-slaχtia- in andere bett. (bijv. mnd. geslecht, ofri. slachte “stempel”) aan bij mnl. slacht(e) v. “geslacht, soort”, onfr. slahta v. “generatio”, ohd. slahta v., slaht o. “soort, geslacht”, os. slaht o. “geslacht”, mnl., mnd. slachten, nnl. slachten “aarden naar, lijken op”. Al deze woorden zijn met t- formantia afgeleid van germ. slaχ- “slaan”; zie slaan. Formeel staat slachten : slaan = vluchten : mnl. vlien = betichten : mnl. betîen. Vgl. voor de bet. ndl. slag “soort”, ohd. slahan nâh “aarden naar”, ier. slicht “geslacht”: sligim “ik sla”. Voor een ouder germ. woord voor “geslacht” zie kunne.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

slachten 2 ono.w. (gelijken), van slacht = soort, aard, hetz. w. als slacht besproken bij slachten 1. In het Ohd. zeide men: nah den fordoron slahan = de voorvaders slachten (letterlijk: naar de voorvaderen slaan): de ontwikkeling der bet. is echter niet duidelijk: vergel. slag 1 en z. ook geslacht.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

slechten, beslechten, beslachten, ww.: lijken op. Brabantse var. van Vlaams slachten, geslachten. Mnl. slachten, Vnnl. slachten ‘resembler’, gheslachten, slachten ‘lijken op’ (Kiliaan). Ohd. slahtôn, Mhd. slaht ‘geaard’, Ndd. slachten ‘aarden naar’. Afl. van slaan. Vgl. geslacht, slag ‘soort, D. jemandem nachschlagen ‘op iemand lijken’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

slachten overg. ww.: lijken op. Ook Vl. geslachten, Zeeuws beslachten. Wvl. slachten van. Mnl. slachten, Vnnl. slachten ‘resembler’, gheslachten, slachten ‘lijken op’ (Kiliaan). Ohd. slahtôn, Mhd. slaht ‘geaard’, Ndd. slachten ‘aarden naar’. Afl. van slaan. Vgl. geslacht, slag ‘soort’, D. jemandem nachschlagen ‘op iemand lijken’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

slachten (E, G, ZV), overg. ww.: lijken op. Ook geslachten (E), beslachten (ZV). Wvl. slachten van. Mnl. slachten, Vnnl. slachten 'resembler', gheslachten, slachten 'lijken op' (Kiliaan). Ohd. slahtôn, Mhd. slaht 'geaard', Ndd. slachten 'aarden naar'. Afl. van slaan. Vgl. geslacht, slag 'soort, D. jemandem nachschlagen 'op iemand lijken'.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

geslachten (K), ww,: afl. met prefix ge- van slachten ‘lijken op’; zie i.v.

slachten, ww, vroeger ook zonder vz. van (b.v. bij Vondel), nu meestal met van: lijken op, aarden naar. Ook geslachten van. Mnl. slachten, Vroegnnl. slachten ‘resembler’ (Lambrecht), gheslachten, slachten ‘similem esse’ (Kiliaan). Ohd. slahtôn, Mhd. slaht ‘geaard’, Ndd. slachten ‘aarden naar’. Afl. van slaan. Vgl. geslacht, slag ‘soort’, D. jemandem nachschlagen ‘op iemand lijken’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

slag III: ’n dier dood, die vel verwyder en die karkas in stukke sny; Ndl. slachten (Mnl. slachten, “doodmaak; slag”, by Kil slachten as dial.), Hd. schlachten, hou verb. m. Ndl. slacht (by Kil slacht, “caedes” (d.w.s. “kadawer”).

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

slak- ‘schlagen, hämmern’, nur irisch und germanisch

Mir. slacc ‘Schwert’, nir. slacaire ‘Schläger’ (mit expressivem -kk-); mir. slachta ‘geschlagen’, nir. slacht m. ‘gute Erscheinung, von gutem Schlag’, gäl. slachdaim ‘schlage mit dem Hammer’, slachdan ‘Keule’;
got. slahan, aisl. slā, ags. slēan, as. ahd. slahan (sluoc, sluogen, geslagen) ‘schlagen’; ahd. slagon, afries. slagia ds.; aisl. slā f. ‘Stange, Riegel’, ags. slahe, slēa ‘Weberkamm’, mhd. sla, slage ‘Schlagwerkzeug’, mnd. slawe ‘Hufbeschlag’, mhd. slouwe ‘Spur, Fährte’ (*slagwō); dehnstufig aisl. slø̄gr ‘hinterlistig’ (‘*verschlagen’); got. slauhts f. ‘Schlachtung’ (*sl̥k-ti-); aisl. slāttr f. ‘Mahd’, slātr f. ‘Schlachtfleisch’, ahd. slahta ‘Tötung, Schlachtung’; mit einer Bedeutung wie nhd. jemandem nachschlagen, Schlag ‘Art’: ahd. gislaht ‘edel geartet’, gislahti n. ‘Stamm, Eigenschaft’, nhd. Geschlecht.

WP. II 706 f., Wissmann Nomina postverb. 74.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal