Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slaan - (klappen geven)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

slaan ww. ‘klappen geven’
Onl. slān ‘krachtig raken; doden’ in Vuanda thana thu sluogi ‘want degene die jij sloeg’ [10e eeuw; W.Ps.], that ínen the júthen soldon slan ‘dat de Joden hem moesten doden’, ande wart tho an ein cruce geslagon ‘en werd toen aan een kruis geslagen’ [beide 1151-1200; Reimbibel]; mnl. slaen, ook bijv. ‘door slaan een voorwerp doen klinken’ in doen slaen de clocke ‘de klok laten luiden’ [1254; VMNW], ‘verslaan, overwinnen’ in Ende sloeghen die romeine ‘en versloegen de Romeinen’ [1285; VMNW].
Os. slahan (mnd. slān); ohd. slahan (nhd. schlagen); ofri. sla (nfri. slaan); oe. slēan (ne. slay); on. slá (nzw. slå); got. slahan; alle ‘slaan, doodslaan e.d.’, < pgm. *slahan-.
Herkomst onbekend. Er zijn buiten het Germaans geen verwante woorden, misschien op Middeliers slacc ‘zwaard’ na.
De stamtijden van dit sterke werkwoord waren in het Middelnederlands slaen, sloech, sloeghen, gheslaghen: in de infinitief en de tegenwoordige tijd was de intervocalische *-h- in het Nederlands weggevallen en de -g(h)- was ontstaan door grammatische wisseling. Door analogiewerking ontstonden diverse nevenvormen, zoals een verl.deelw. gheslaen en een infinitief slaghen, welke laatste nog met een specifieke betekenisontwikkeling voortleeft in → slagen ‘gelukken’. Zie verder nog → slag en → slager, beide eveneens met grammatische wisseling, en → slachten.
De oorspr. betekenis ‘krachtig raken’ is algemeen Germaans en is in het Nederlands nog steeds de centrale betekenis. De afgeleide betekenis ‘doden’ (uit ‘doden door krachtig te raken’) is eveneens wijdverbreid, maar in het Nederlands verouderd; sporen zijn te vinden in → slachten, → slager en in doodslag ‘het opzettelijk doden’. Verder heeft het woord vele afgeleide, veelal overdrachtelijke betekenissen en betekenisnuances, die voor een groot deel al in het Middelnederlands voorkomen, zodat een concrete ontwikkelingslijn niet aangetoond kan worden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

slaan* [slagen toebrengen] {oudnederlands slan 901-1000, middelnederlands slaen} oudsaksisch, oudhoogduits slahan, oudfries slā, oudengels slean, oudnoors slā, gotisch slahan; in het kelt. oudiers slacaim [ik sla], middeliers slaec [zwaard].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

slaan ww. mnl. slaen, onfrank, slān, os. slahan, ohd. slahan (nhd. schlagen naar verl. deelw.), ofri. slā, oe. slēan (ne. slay), on. slā, got. slahan. — oiers slacaim ‘sla’, miers slacc ‘zwaard’ (IEW 959). — Dus buiten het germ. alleen nog iers. Naast idg. *slak staat *sleg in oiers sligim ‘sla’, sleg ‘speer’. — Zie verder: slacht 1, slacht 2, slachten, slag, slagen, slager en geslacht.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

slaan ww., mnl. slaen. Een alg.-germ. ww., in verschillende talen met ruime gebruikssfeer, maar waarvan ’t hoofdbegrip “slaan” is: onfr. slân, ohd. slahan (nhd. schlagen naar het verl. deelw.), os. slahan, ofri. slâ, ags. slêan (eng. to slay), on. slâ, got. slahan “slaan”. Verwant met ier. slactha “geslagen” (met anderen wortelauslaut sligid “hij slaat neer”), misschien ook hierbij oi. sṛká- “werptuig, lans”, av. harǝka- “wat weggegooid wordt, afval”, harǝcaya- “laten vallen, weggooien”. Zie slacht I, slachten II, slag, slagen, slager, geslacht.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

slaan o.w., Mnl. slaen, Onfra. slân, Os. slahan + Ohd. id. (Mhd. schlahen, Nhd. schlagen), Ags. sléan (Eng. to slay), Ofri. slá, On. id. (Zw. slå, De. slaa), Go. slahan + Skr. sṛkas = werptuig, Oier. slactha = geslagen, sligim = slaan: Idg. wrt. slek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sloon (ww.) slaan; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) sloon, Aajdnederlands slan <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

slaan (sloeg, heeft geslagen), (ook:) 1. stoten. En als ik zie dat de volgende dag weer de hele familie komt, dan ben ik blij en spring in de lucht, dat ik mijn hoofd kapot sla (Doelwijt 1971: 64). - 2. (dodelijk) treffen; aan- of doodrijden (met een voertuig). Bij het vellen van een grond* valt een boom op een oude man en slaat hem morsdood, grote schrik (Spalberg 1899: 1979: 88; oudste vindpl.). Zodanig zelfs, dat een ezelkar ’em bijna sloeg, wanneer niet die ezeldrijver ’em met een snauw gebokt* had met z’n: Jonge, ga opzij! (Cairo 1980c: 200). De elektrische stroom heeft hem geslagen. - 3. verdienen (van geld). Een Suralco-typiste slaat toch minstens Sf* 1000 per maand! - 4. geslachtsgemeenschap hebben (met). Later zul je zien dat liefde niet bestaat. - Wat bestaat dan wel? - Gewoon rampetampe, erop los slaan. Hoe meer hoe beter. Elke dag bruine bonen verveelt gauw (Rappa 1981: 24). Maar die direkteur*... hij laat heel zachtjes een slavin brengen. Chm! Als je gedacht had: om haar op de grond te slaan () (Cairo 1982: 365). - 5. uitvaardigen (van beschikkingen, decreten e.d.). Gedaagde doet een uitdrukkelijk beroep op het voorbehoud dat steeds door de overheid wordt gemaakt bij het slaan van beschikkingen of resoluties, dat het e.e.a. plaats vindt onder voorbehoud van herziening en of verrekening bij onjuist gebleken vaststelling (DWT 3-3-1981). - Etym.: In AN kunnen bet. 1 en 2 voorkomen, maar het onderwerp van de zin is dan altijd een persoon. Bet. 5 is in AN veroud. en ambtelijke vaktaal. - Syn. van 4 baksen* (zie voor de andere syn. aldaar). Zie ook: klappen*, stoten*; i.v.m. bet. 1 slag*, i.v.m. bet. 5 geslagen* vijanden.
— : zie ook sjène* slaan.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

sloeg: het geslaan; sg. st. vorm v. d. impf. v. d. Ndl. ww. slaan, skertsend i. studt. gebr.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kort en klein slaan (vert. van Duits kurz und klein hauen)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Slaag krijgen staat voor slage krijgen, oud meerv. van slag; evenals onder de voet(e) raken; op de been(e) brengen. Slaan (Os. slahan; Vlaamsch nog: slagen) is gevormd van den Germ. wt. slak of slag, Idg. slak = slaan. – Het z.n.w. slag herinnert nog aan ’t oude slagen. Vgl. „Ghij weent, kermt, slaecht u hooft ende borste”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

slaan ‘slagen toebrengen’ -> Negerhollands slaa, slā, sla, slae, slaeg, slagen ‘slagen toebrengen, kappen, stoten; slag’; Skepi-Nederlands sla ‘slagen toebrengen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

slaan* slagen toebrengen 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

665. Een geslagen vijand,

d.w.z. een doodvijand, een groote vijand. Het adjectief geslagen heeft hier de beteekenis van groot, volslagenKiliaen: vol-slaeghen kleed, vestis laciniata, ampla, sinuosa; Mnl. Wdb. IX, 883., en is eerst gezegd van den tijd, bijv. een geslagen uur, d.i. een vol uurVgl. Verm. Avant. II, 174: Blyvende al te samen meer als twee geslagen uren sonder spreken; bl. 183: Ik had meer als drie geslagen stonden vertoefd; Schuermans, Bijv. 96 a: een geslagen uur, een gansche, een volle uur; zoo ook Antw. Idiot. 479; Waasch Idiot. 252 a, waar als syn. op bl. 242 vermeld wordt een geklopte uur, en hieruit weder een geklopte boer, zeer lompe boer.. Daarna kreeg het eene algemeene bet. van vol, ruim, groot en kon men spreken van geslage spotters en geslage smulsters, dat voorkomt in De Biegt der Getrouwde (anno 1679) bl. 29 en 158. Onze uitdr. een geslagen vijand is het eerst uit de 18de eeuw opgeteekend; zie Sewel, 256; Halma, 175 en Ndl. Wdb. IV, 1759, alwaar evenwel eene andere verklaring wordt gegeven (geslagen = verslagen, en daarna verbitterd; vgl. no. 609), evenals in het Mnl. Wdb. II, 303, waar vergeleken wordt dootslagen viant, een vijand om dood te slaan, op leven en dood, welk dootslagen wellicht eig. dootslage moest luiden, d.i. doodslaande, maar door verwarring met geslagen dien vorm heeft aangenomenTijdschrift XI, 195..

1405. Uit de lijken geslagen zijn,

d.w.z. bedremmeld, geheel verslagen zijn, uit de ‘naven’ zijn. De uitdr. is ontleend aan het zeewezen. Onder de lijken verstaat men het touw, dat als omlijsting, als rand om de zeilen van een schip of een molen vastgenaaid wordt en dat dient om het uitscheuren te voorkomen. In letterlijken zin is dus uit de lijken geslagen, uit den rand gescheurd, van zijne plaats gerukt, dat overdrachtelijk kon beteekenen onklaar zijn (Winschooten, 139), ontzet, in de war zijn. Vgl. ook Colm, Malle Tots boertige vryery, anno 1617, 13: Gutt dat's verpeutert werk, dits hiel nou uyt 'e lyck, hier 's weer gien samen knoopen. Zie verder Gew. Weeuw. III, 7: Ze is gansch uyt de lyken gearbeid; De Brune, Bank. 146: Uyt de lijck geslagen; I, 264: Uyt de lyck geworpen; Sewel, 468: Uit de lyken geslagen, blown out of the boltrope; quashed, routed; Tuinman I, 151: Hy is uit de lyk geslagen, dat is, hy is geheel in de war, en in onmagt gebragt; Harrebomée II, 29; 32: Hij valt uit de lijken; Het Volk, 18 Sept. 1915, p. 1, k. 3: Zij wisten eenmaal beter, maar zijn sinds geruimen tijd dermate uit de lijken geslagen, dat zij met elken wind mee strijden. Synoniem zijn de Zuidnederlandsche uitdrukkingen uit de zwee zijn, uit zijn lood zijn, van zijn berdeken zijn, uit den haak zijn, verbabbereerd (ons verbauwereerd), beteuterd zijn (eng. off the hooks, off the hinges; fr. hors des gonds (van woede)), ontknierd, ontzet, verstoord, verward; vgl. ook nog de uitdr. zijn gat uit de haken loopen, waarvoor men in het stadsfriesch zegt de hakken uut de liken loopen; zie Taalgids III, 285 en Ndl. Wdb. V, 1356; 1357; VIII, 2298; in het Friesch: dat rint út 'e liken, dat loopt verkeerd; van iemand die zich overwerkt heeft, die overspannen is, zegt men eveneens dat hij út 'e liken is (Fri. Wdb. II, 221).

1578. Munt uit iets slaan.

Hetzelfde als geld uit iets slaan, er geld aan weten te verdienen; in fig. zin: zijn voordeel met iets doen; het practisch toepassen; mnl. gelt ute iet cnopen. Vgl. De Arbeid, 13 Mei 1914, p. 1 k. 2: Maar als de arbeiders willen trachten munt te slaan uit den bloei der industrie, dan staan zij tegenover drie vijanden; B. Huet, Land v. Rembrandt II2, 372: In de geschiedenis van Noord-Nederland is eene eigen burgerlijke poëzie ontstaan, die, zich van hare platheid niet bewust, met ongeëvenaard gemak de algemeene denkwijs op rijm brengt en munt slaat uit eene beeldrijke taal; Handelingen der St. Gen. 1913-1914, kol. 2249: Hoe hij daaruit zeer valsche politieke munt heeft trachten te slaan; Handelsblad, 20 Oct. 1913, p. 1 k. 2: De sociaal-demokraten trachten er thans munt uit te slaan dat mr. D. de candidaat der concentratie tot de vrijliberalen behoort; Het Volk, 14 Oct. 1913, p. 1 k. 1: Het Octobernummer is in hoofdzaak gewijd aan het slaan van politieke munt, van niet te best allooi, uit de kabinetskrisis van dezen zomer; p. 5 k. 4: Dat dit christelijke blad uit deze van overtuigingsmoed getuigende daad van de onderwijzers munt zou slaan tegen de openbare school, mag niet verwonderen; Het Volk, 22 jan. 1914, p. 1. k. 4; Ndl. Wdb. IX, 1241; Villiers, 84. Ook pasmunt slaan uit in Het Volk, 9 April 1915, p. 1 k. 3: Dit blijkt op nieuw dat wie uit dit feit pasmunt wil slaan voor het politieke christendom, zijn toevlucht moet nemen tot den grofsten zwendel; 19 Aug. 1915, p. 1 k. 1: De pers van onze tegenstanders blijkt van oordeel, dat uit de houding der sociaal-democraten ten opzichte van de Landstormwet, eenige politieke pasmunt is te slaan. Vgl. fr. battre monnaie avec qqch., l. battre monnaie de qqch.; hd. Kapital aus etwas schlagen; eng. to make capital out of anythingIn dieventaal beteekent munt slaan iemand tegen de slapen slaan; vgl. Jord. II, 298: Om hen daar te laten besluipen en overvallen door een monstergemeenen vechtpooier, die de slachtoffers munt sloeg; vgl. Köster Henke, 47: Smak hem munt, werp hem tegen den grond..

1719. (Op)dokken,

d.w.z. betalen, geld geven; vgl. ook afdokken, dat eveneens betalen, afschuiven beteekent (Ndl. Wdb. I, 909; Jord. 260), waarnaast eertijds ook uitdokken en overdokken voorkwam. Het wkw. dokken vermeldt Kiliaen met de beteekenis dare, cito dare, promere (voor den dag halen) naast opdocken, dare, promere; de eigenlijke beteekenis is die van slaan, kloppen, duwen, stooten (in dezen zin in Zuid-Nederland nog zeer gewoon), syn. van het Zuidndl. botten, doppen en het eng. to stump (up), to stump the pewter, dat ook in den zin van betalen voorkomt, zoodat geld dokken eigenlijk zal beteekenen geld van zich afstooten (vgl. Kil. cito dare), afschuiven, geven. In de 17de eeuw is (op)dokken reeds vrij gewoon; zie o.a. Kluchtspel III, 19; Winschooten, 45; Sewel, 595; Halma, 456; Harreb. III, 52 a; Ndl. Wdb. XI, 451; III, 2752; Villiers, 92. In Zuid-Nederland is (af)dokken in den zin van betalen nog bekend (Waasch Idiot. 180 a; Teirl. 335; Antw. Idiot. 127; 335) naast doppen, botten (Waasch Idiot. 140 a; Teirl. 360) en opbotteren (Waasch Idiot. 816), die alle drie eveneens eig. slaan, duwen, stooten beteekenen. Zie Tijdschr. XXXVI, 61 vlgg.

2054. Ergens naar slaan,

ook wel ergens een slag naar slaan, d.w.z. ergens in het blinde naar raden; Kil.: Slaen nae eenigh dinck, j. gheraeden, coniicere, coniectare. De zegswijze luidde oorspr. ‘ergens naar slaan, als de blinde naar het ei’, zooals blijkt uit Lekensp. I, 2, 60:

 Niement en mach volweten
 Sine (Gods) ghedane, noch sijn wesen;
 Ende die daer meest na lesen,
 Dolen meest weder ende wey,
 Alse die blinde die slaen na tey,
 Dat haerre gheen gheraken en canMen moest trachten geblinddoekt een ei, dat aan een koord was opgehangen of op den grond was gelegd, met een stok stuk te slaan..

Zie verder Sp. d. Leken, 78 r: Hi sloecher vaste mit een stocke na, ghelijc dat die blinde na den eye doet; Hild. 169; 463: den blinden slach slaen, in den blinde slaan; Teest. 1475; 1496; Mnl. Wdb. VII, 1215; Campen, 123: ick slae daer nae als die blinde nae 't Ey; Servilius, 40: hy slaet daer na gelyc de blinde na dey; Pf. Muller, 584 (anno 1607), bl. 2 v: Desen slaet als eenen blinden naer 't ey metter gis; Hooft, Tac. Ann. 280; Harreb. I, 62 a; III, 131 b; Erasmus, CCLXVI; Schuermans, 60; Joos, 28: slaan gelijk de blinde naar 't ei; Antw. Idiot. 400: blindeislaan, geblinddoekt naar een ei slaan; 1112: naar iet slagen, er naar raden; naar iet slagen gelijk 'nen blinde naar 'en ei; Waasch Idiot. 123 b; 594 a; Tuerlinckx, 85: blindemanslaan; Kinderspel IV, 148-150. In het Friesch: hy slacht (of riedt) der nei as de bline nei 't aei en hy slacht der in slach nei. Zie no. 2058 en vgl. het vroegere blindpotten, slaan naar een pot, dien men niet kon zien; in den blinde handelen (Ndl. Wdb. II, 2862).

2059. Een slag slaan in (of naar) iets,

d.w.z. iets op den gis ramen; eig. in het wilde, in het honderd naar iets slaan, lukraak; mnl. den blinden slach slaen. Zie no. 2054 en vgl. Winschooten, 257: Slaat 'er een slag in: doet het bij de gis; Halma, 582: Wij moeten 'er eenen slag in slaan, wij moeten 't bij de gis raamen; Van Effen, Spect. IX, 147; Tuinman I, 225 verklaart men moet 'er een slag in slaan, de zaak door inschikking vereffenen. Vgl. voor Zuid-Nederland De Bo, 1028 a; Rutten, 206 b; Waasch Idiot. 593 b; Antw. Idiot. 1111: er 'ne(n) slag deur slagen, iets bij benadering bepalen, sprek. van eene rekening, eene schuld.

2060. Zijn slag slaan (of waarnemen),

d.w.z. eene gunstige gelegenheid waarnemen; mnl. sinen slach wachten of merken; eig. gezegd van iemand die strijdt en het gunstige oogenblik waarneemt om zijnen tegenstander te treffen (vgl. het mnl. sinen slach sien, zijne kans schoon zien), of gezegd van een kaatser, zooals men zou opmaken uit Vondel, Gebroeders (anno 1650), bl. 25: Den hemel kaetst uw toe: dies neem die slagh nu waer. Bij Sartorius I, 8, 37: neemt u slach waer; smeet het yser als 't heet is; zoo ook III, 5, 2; Vondel, Virg. I, 177; II, 230; Pers, 78 a; 739 a; Rusting, 220; Janus, 8: zijnen slag waarnemen; Halma, 582; Sewel, 721; Harreb. II, 271; Dievenp. 115; Landl. 363; enz. In het fri. in slach slaen, belangrijk voordeel behalen; eng. to do a good stroke of business; fr. faire son coup; hd. seinen Schlag machen naast seinen Schnitt machen, dat doet denken aan het slaan (dorschen) en afsnijden van het graan en te vergelijken is met het Bredaasche goed zijn snitjes snijden (doen of maken); zie Hoeufft, 558 en vgl. vooral De Bo, 1028 a, alwaar o.a. uit de 16de eeuw wordt aangehaald zijn slach schoon zien; verder Waasch Idiot. 593; Antw. Idiot. 1111; Rutten, 206 b: zijnen slag schoon hebben, in gunstige omstandigheden zijn om iets te doen; en vgl. nog het mnd. sinen toge tên, seinen Profit machen. Syn. was in de 18de eeuw zijn grut slaanNdl. Wdb. V, 1179..

2349. Uit het veld geslagen,

eig. gezegd van den vijand, die het slagveld heeft moeten ruimenVgl. in de I7de eeuw in eig. zin iemand uit het bord (verkeerbord) slaan.; bij overdracht van iemand, die geheel van zijn stuk is, onthutst, beschaamd is, zich van zijn veld vindt, zooals Hooft zegt. Vgl. Pers, 666 b: De nijd hem (Bossu) berispte, dat hy gelegentheyt hadde gehad, om Don Johan geheel uyten velde te slaen; Spect. IX, 191: Dus word ik door een Bato uit het veld geslaagen, eer ik my eens ten stryde heb aangegord; Br. v. Abr. Bl. I, 119: Wel, je bent een schoone held, zei ik; ben je zo uit het veld geslagen, om dat ik myn pligt omtrent je doe?; ook bl. 193; C. Wildsch. II, 286: Door een enkel gezegde dus uit het veld geslagen te worden! - loop, gij zijt een vod van een vent. Zie verder Harreb. I, 367 b; Kippev. I, 205; II, 284: Sedert laat ik me door niemand meer uit het veld slaan; Molema, 257: oet 't mat sloagen wezen, verslagen, verbluft, uit het veld geslagen zijn; in het fri. út it fjild slein, onthutst, verslagen; afrik. hy is nou heeltemaal uit die veld geslaan.

2379. De verzenen tegen den prikkel slaan,

d.i. zich verzetten, ‘den breidel in den nek werpen’S. Stijl, Opkomst, 156., gri. προς κεντρα(ον) λακτιξειν, vruchteloozen tegenstand bieden, met het hoofd tegen den muur loopen, lat. contra acumen, stimulum calcitrare (Otto, 331). De spreekwijze is ontleend aan de geschiedenis van Saulus, welke verhaald wordt in Hand. IX vs. 5: Ende ter aerden gevallen zijnde, hoorde hy een stemme die tot hem seyde, Saul, Saul, wat vervolght ghy my? Ende hy seyde: Wie zijt ghy Heere? Ende de Heer seyde: Ick ben Jesus dien ghy vervolght. Het is u hardt de versenenhielen. tegen de prickels te slaen; waaraan de volgende kantteekening is toegevoegd: gelijk de ossen ende andere lastbeesten achter uyt slaen, wanneer se met prickels worden voort gestouwt, ende alsoo niet de prickels maer haer selven quetsen. Zie Zeeman, 414; Mnl. Wdb. VI, 645; Harreb. II, 301 a; Kippev. I, 346; afrik. hy slaan die versene teen die prikkels, en vgl. het mnl. sporren tegen-, stunen jegen de gaert of hem tegen de naelde steken; het zuidndl. tegen den jokkeband trekken (De Bo, 470); nd. sick upp'n Jückstock leggen (Wander II, 1029); fr. regimber sous l'aigillon; hd. wider den Stachel löcken oder lecken (Schrader, 154); eng. to kick against the pricks (spur or goad).

2433. Twee vliegen in één klap (of lap) slaan (of vangen),

d.i. twee oogmerken tegelijk bereiken. Vgl. Idinau, 65:

 Twee vlieghen met eenen lappe sy slaen,
 Die met een moeyte twee dinghen bekomen.
 T' gheluckt soo, of t' is met ernste ghedaen:
 Alst komt, t' werdt meest in 't goede ghenomen.
 Men prijst, die hen tot deughden ver-vromen.

Hooft, Brieven, 400: Wy zouden 'er etlijke te lijf slaan, ende midlerwijle twee vliegen met een' lap; Ged. II, 349 vs. 1312: t Komt profytelijck uyt, men slaet twee vlieghen mit ien lap; De Brune, 279: Het moest wel met gheluck toe-gaen, twee vlieghen met een lap te slaen; Bank. II, 209: Die zijn zaecken wel aen-leght, kan somtijds twee vlieghen met eenen lap slaen; Tuinman I, 274; Adagia, 60: Twee vliegen in eenen lap slaen, in saltu unico duos aperos capere; Van Effen, Spect. VII, 78; IX, 150; Sewel, 897: Twee vliegen met een' klap slaan, to kill two crows with one stone; zoo ook W. Leevend II, 83; Schoolblad, XLIII, k. 994; Het Volk, 21 Febr. 1914, p. 5 k. 4: Nu kan men twee vliegen in één klap slaan, door het Gooi heelemaal af te zanden en alle Amsterdamsche grachten te dempen; 4 April 1914, p. 1 k. 1: Wellicht hopen zij twee vliegen in één klap te slaan, en naast de versterking van hun ekonomische machtspositie, ook politiek profijt uit deze worsteling te winnen; afrik. twee vlieë in een klap slaan; Waasch Idiot. 717: twee vliegen in één lap, twee werken met ééne moeite; Schuermans, 820 b: twee vliegen in éenen slag (of in een lap) treffen, syn. van twee gaten met eenen bus stoppen (Schuerm. 86 a); twee duiven met éen boone vangen (De Bo, 275 b; De Brune, Bank. II, 209, vertaling van het ital. pigliar due colombi con una fava). Vgl. het lat. uno in saltu apros capere duos; Sart. I, 7, 67: twee vogelen schieten met een bout; III, 7, 41: met een sprongh twee hasen bespringen; twee kraeyen met een schoot schieten; Servilius, 23: met eender dochter twee behoude sonen crijgenVgl. Le Roux de Lincy (anno 1842) I, 152; II, 391., hetzelfde als twee swagers (schoonzoons) met een dochter maecken (Sart. I, 7, 68; Volkskunde XVI, 64); De Brune, Bank. II, 209: twee muyren met een quispel witten, vertaling van het lat. duos parietes de eadem dealbare fidelia (Suringar, Erasmus, LXII); hd. zwei Fliegen mit einer Klappe schlagen, - mit einem Schlage fangen; eng. to kill two birds with one stone; de. at slaae to Fluer med eet Smaek; fri. twa miggen of mosken yn ien flap fange.

2589. Iets in den wind slaan,

d.w.z. iets niet achten, zich niet om iets bekommeren; eig. iets aan den wind overgeven; laten wegwaaien; lat. ventis tradere; mnl. iet in den wint, te winde, voor wint slaen; voor die winde wechslaen; Servilius, 207*: In den wint slaen, deen oor inne, ende dander wt laten gaen; Plantijn: In den windt slaen, mettre au vent, ne tenir compte. In de 17de eeuw is de uitdr. zeer gewoon; men vindt ze o.a. in Vondel's Gijsbr. v. Aemst. vs. 1480; Vondel, Virg. II, 11: De gelieven, die hun eerlijcken naem en faem in den wind sloegen; 230: Febus stond hem een deel zijner bede toe en liet een deel in den wint henevliegen; 180: Indien ghy mijne woorden niet in den windt slaet; Hooft, Warenar, 204; Ned. Hist. 132; 163; 205; 223; Ged. II, 378; Pers, 556 a; Brederoo III, 142, 6; Huygens, Voorhout vs. 572 (in de windt smacken); Kaele Uytr. Edelman, 165 (in de wind strooien); Focquenb. Alexis, 2de Herders-sangh 169: Ick sond de winden in de Bloemen (op bl. 107: Wat stroyd' ick anders als mijn bloemen in de wint); enz. Zie verder Van Effen, Spect. IV, 218; Sewel, 960: In de wind slaan, niet achten, to neglect, disregard; Halma, 789; Tuinman I, 331; Harrebomée II, 471; afrik. hy slaan my goeie raad in die wind; hd. in den Wind schlagen (Wander, V, 262; Reuter, 128); eng. to throw s. th. to the winds.

2687. Zwiet slaan,

eene dial. uitdr. voor groot vertoon maken, branie slaan, bluf slaan, bluffen, pronken, pralen. Vgl. Boekenoogen, 1042: swiet slaan, bluffen, pralen, groot vertoon maken; Gallée, 44: swîtslaon, bluffen, groot vertoon maken; Draaijer, 50: zwît slaon, geur maken, pronken, zich nogal voordoen; Opprel, 90: zwiet, praats, bewegingOok bij Cremer komt volgens Opprel de uitdr. voor.; Jord. II, 484: Haal nie soo'n swiet.... viel druilend Peet bij; Kunstl. 109: Soo'n banjer! wat 'n swiet! Zie no. 263. Voor Zuid-Nederland vgl. Antw. Idiot. 1512: zwiet, groot vertoon, pracht, praalvertoon; hij vuurt groote' zwiet. Voor de afleiding vgl. het fr. suite, gevolg, statiesleep, en voor de bet. fr. mener grand train. Volgens anderen kan zwiet verwant zijn met het adj.-adv. zwiet, dat in fri. en noordh. dial. beteekent zeer, in hooge mate, voordeelig, voorspoedig, gezond; vgl. mnl. swide, sterk of krachtig in eigen oog, een al te groot zelfvertrouwen hebben;Mnl. Wdb. VII, 2550. fri. swiid; Zaansch swiet; noordh. zwiet (gezond, richtig, zuiverBouman, 117.); gron. swiet; geld. swît, zeer goed, zeer mooi; 17de eeuw swijdigTijdschrift III, 118; Franck - v. Wijk i.v. gezwind..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut