Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ski - (sneeuwschaats)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

ski zn. ‘sneeuwschaats’
Nnl. in gebruikt de jager zijne sneeuwschoenen ski genaamd [1874; Sanders 2004].
Met spellinguitspraak ontleend aan Noors ski /ši/ ‘sneeuwschaats’, oorspr. ‘lang stuk hout’ < Oudnoords skið ‘id.’, een algemeen West- en Noord-Germaans erfwoord dat is afgeleid van de wortel van → scheiden.
Mnd. schīt; ohd. -skīt (Zuid-Duits Scheit); ofri. skīd; oe. scīd (ne. gewest. shide); on. skíð (nzw. skida, ook ‘ski’); alle ‘blok hout’, < pgm. *skīda-. Daarnaast ook in het Duits, Fries en Engels het Noorse leenwoord ski.
In andere Indo-Europese talen komt een vorm met o-trap voor, zoals in het Latijnse scūtum, met de betekenis ‘schild’ van ‘uit een boomstam gehouwen schijf’. Nauwverwant en met dezelfde oorspronkelijke betekenis van ‘smal, recht afgespleten stuk hout’ is → scheen.
Al in 1682 bevat een Nederlandse vertaling van een geschiedenis van Lapland een uitvoerige verhandeling over de houte schoenen waarmee de Laplanders zich over de sneeuw voortbewogen, waarin uiteengezet wordt dat de Noordse volken deze voorwerpen skider of, bij verkorting, skier noemen.
Ook wordt vermeld dat dit woord overeenkomt met het Hoogduitse Scheiter (meervoud) en dat daarmee gekloofde stukken hout worden aangeduid. Het West-Vlaams kent de vorm schier (< schieder), met de betekenis ‘langwerpig stuk afgespleten hout’. Deze hoort bij een werkwoord schieren (mnl sciden) ‘splijten, klieven’.
Lit.: Sanders 2004, 143-146

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ski [sneeuwschaats] {1901-1925} < noors ski < oudnoors skíð [sneeuwschoen, houtstuk], oudengels scīd [stok], oudhoogduits skīt [houtblok], hoogduits Scheit [idem], van scheiden, dus eig. een afgespleten stuk hout.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ski znw. m., eerst eind 19de eeuw < nnoorw. skī ‘lange, smalle sneeuwschaats vandaar uitspr. sjie, < on. skīð ‘plat stuk hout, sneeuwschaats’, vgl. nnl. dial. (Aalst) schijd, ohd. scīt (nhd. scheit), ofri. skīd, oe. scīd (ne. skide), eig. ‘gespleten stuk hout’, vgl. oiers sciath m. ‘schild’. — Afl. van scheiden.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

ski s.nw., ww.
Lang, smal sneeu- of waterskaats wat effens opgebuig is aan die voorkant, of sodanige skaats gebruik om mee te skaats.
Uit Eng. ski (1885).
Eng. ski via Noors ski (middel-18de eeu) uit Oudnoors skith 'houtrepie'.
D. Schi (1733), Fr. ski, Ndl. ski (1912).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ski: s.nw. en ww., glysport op sneeu, ys en water; bep. houtskaats of plank daarvoor gebr.; dié sport beoefen; in ’n mate intern. wd.; Ndl. ski en ww. skiën, Eng. ski, uit On. skīth, “houtrepie”, hou verb. m. Ndl. scheiden, Afr. skei, Hd. scheiden, en hoërop m. Lat. scindere, Gr. sχizein, “splyt” (d.w.s. die splytwerk doen wat houtrepies oplewer); v. skei.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

ski (Noors ski)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ski ‘sneeuwschaats’ -> Indonesisch ski ‘sneeuwschaats’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ski sneeuwschaats 1874 [Sanders NRC-H 16/3/98] <Noors

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal