Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sjokken - (sleepvoetend lopen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

sjokken ww. ‘sleepvoetend lopen’
Nnl. sjokken ‘zich schokkend of moeizaam voortbewegen’ in (iemand te paard) sjokt het Renpark in [1769; WNT insjokken], door weer en wind naar de Academie sjokt [1844; WNT], ook ‘schokkend rijden’ in Zou de reis nog langer duren? 't Lastig sjokken maakt mij dol [1874; WNT], ook gebruikt voor het lopen van dieren, in aan 't kettinkje sjokte de hond [1896; WNT].
Volgens FvW wrsch. een dialectische nevenvorm van → schokken ‘door een stoot in beweging komen, stotend bewegen’; zo bestaan bijv. in het Antwerps sjokken en sjokkelen voor schokken en het in de standaardtaal verouderde schokkelen ‘hotsen, schokkend rijden’. Deze verklaring wordt volgens WNT gesteund door de vorming aansjokken ‘met logge tred naderen, met schokkende beweging aankomen’, zoals in kwam op een ouden kreupelen knol aangesjokt [1865; WNT aansjokken], die in het Vroegnieuwnederlands wordt aangetroffen als aanschokken, in komt te paard' aanschokken [1671; WNT aansjokken]. Ook het Friese sjokke ‘moeizaam lopen’ kan de bron van het Nederlandse woord zijn; diverse woorden met beginklank sj- komen uit het Fries, bijvoorbeeld sjorren en sjouwen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sjokken [slepend lopen] {1844} < fries sjokke (vgl. schokken).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sjokken ww. eerst nnl., vgl. fri. sjokke, sjokkelje, sjokselje; zal wel een fries-holl. woord zijn, te vergelijken met fri. sjaggelje, saggelje ‘sjokken’ en sjuttel- of sutteldrafje. — Een duidelijk affectief woord, niet alleen wegens de geminaties, maar ook door de klank sj. — Men kan vergelijken nnoorw. dial. sagga ‘langzaam gaan’ (ook sigga, sugga), maar ook ne. sag ‘zinken, naar de lij afdrijven’ = de. sakke bag ud ‘achterblijven, afdrijven’, nzw. sacka ‘achterblijven van schepen, gaan liggen (van de wind) < mnd. (sick) sacken ‘zich laten zakken’, nnd. (af)sakken ‘afnemen’; dus eig. een zeemanswoord.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sjokken ww., nog niet bij Kil. = fri. sjokke (sjokkelje, sjokselje). Wsch. met secundaire (dial.?) sj: = schokken (vgl. Antw. sjokk(el)en = schokkelen “hotsen, schokkend rijden”)? of bij sukkelen? of voor sokken (van sok)? Misschien oorspr. fri. en fri.-holl. (vgl. ook fri. sjaggelje, saggelje “sjokken”, sjuttel-, suttel-drafke “sukkeldrafje”)? Eenige dezer hypothesen kunnen tegelijk juist zijn. De. sjokke “sjokken” uit ’t Ndl., wellicht door de zeemanstaal.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sjokken ono.w., dial. vorm van sukkelen.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

sjokken (Fries sjokke)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sjokken ‘slepend lopen’ -> Deens sjokke ‘slepend lopen; slordig zijn; (van kleding) te ver laten hangen’; Noors sjokke ‘slepend lopen’; Petjoh sjokken ‘lopen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sjokken slepend lopen 1844 [WNT] <Fries

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut