Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sjofel - (armoedig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

sjofel bn. ‘armoedig’
Nnl. schofel, sjofel ‘armzalig, armoedig’ in De onderneming viel zoo schofel uit, dat ... ‘had zo'n armzalig resultaat, dat’ [1803; WNT kostganger], sober, schofel was toen mijn profijt [1828; Nagel], zijn plunje, Schofel als ze was [1843; WNT], sjofel geklofd ‘armoedig gekleed’ [1858; WNT Aanv. jat], haar sjofele plunje [1882; Groene Amsterdammer].
Ontleend aan Duits schofel ‘pover, schamel, vrekkig’ [1781; Kluge], eerst gebruikt in studententaal, nog eerder in boeventaal; dat woord is zelf ontleend aan Jiddisch sjofel ‘gering, nederig, slecht’ < Hebreeuws šāfāl ‘nederig, laag, gering’.
Lit.: G.H. Nagel (1828), Schetsen uit mijne Javaansche Portefeuille, Amsterdam, 115

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sjofel [armoedig] {schofel 1802-1809} < jiddisch sjofel < hebreeuws šāphāl [laag, gemeen, slecht, ongelukkig, arm], van het ww. sjafal [laag, gering zijn].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sjofel bnw., in de 19de eeuw < nhd. schofel < 18de eeuws jiddisch schophol < hebr. šāfāl ‘in lompen, waardeloos, gemeen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sjofel bnw. Uit nhd. schofel, dat via ’t Jodenduitsch in de 18. eeuw uit hebr. šâphâl “humilis, ignobilis, vilis” ontleend is.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sjofel bijv.(armoedig), gelijk Hgd. schofel, uit Hebr. šāfēl = gering, van šāfal = hij werd vernederd.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

sjofel (Duits schofel)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Sjofel, armoedig, kaal van ’t hebr. shofeil, laag, nederig, van zaken sprekend, ook slecht. Goudsmit, in Zelfkeur 1, 328: “Geprikkeld door zijn sjofelen troost”.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Sjofel, van ’t Hebr. sjafel = gering, nederig.

R. Dozy (1867), Oosterlingen, verklarende lijst der Nederlandschen woorden die uit het Arabisch, Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch, Perzisch en Turksch afkomstig zijn, 's-Gravenhage

Sjofel
Het Joodsche sjafeel, sjofeel, van den wortel sjafal, laag zijn, in den vorm Afel vernederen, laag, gemeen, slecht, ongelukkig, arm, Jodenduitsch schofel. Zie Letterbode 1844, n°. 21, p. 323, n°. 48, p. 324; Avé-Lallemant, Das deutsche Gaunerthum, IV, p. 603.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sjofel armoedig 1802-1809 [WNT kostganger] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut