Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sjibbolet - (herkenningswoord)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

sjibbolet zn. ‘herkenningswoord’
Nnl. schibboleth, sjibbolet ‘uiting of handeling die duidelijk getuigt van iets’ in de éénheid van het Bestuur te houden voor het Schiboleth van het Patriotisme [1805; WNT], een toetsing ... om links en rechts te onderkennen ... het algemeen stemrecht: het schibboleth [1901; Groene Amsterdammer], Gezangenhaat ... schibboleth van gereformeerdheid [1917; NRC], ‘herkenningswoord’ in het woord “Scheveningen” is ... het sjibboleth der Hollanders; wie dat woord ... niet onberispelijk kan uitspreken, verraadt zich als een vreemdeling [1939; Vaderland].
Ontleend aan Hebreeuws šibbōleþ, ‘stroom van een rivier’, een woord uit het Bijbelboek Rechters (Richteren) 12: 4-6. In de strijd tussen de inwoners van Gilead en de Efraïmieten vroegen de eersten aan alle vluchtelingen die de Jordaan wilden oversteken om sjibbolet te zeggen; Efraïmieten konden geen sj- zeggen en verrieden zich daarmee: Seght nu Schibboleth, maer hy seyde Sibboleth [1637; WNT].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schibbolet, sjibbolet [herkenningswoord] {1805} < hebreeuws šibbōleth [aar, stroom?], vgl. Richteren 12:5 e.v.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sjibboleth o. (herkenningswoord), uit Hebr. id., naar Recht. XII, 6. Het bet. koornaar; vergel. in de geschiedenis van Vlaanderen scilt ende vrient.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

sjibbolet s.nw.
Herkenningswoord, wagwoord waaraan vreemdelinge herken kan word as gevolg van die verkeerde uitspraak daarvan.
Uit Ndl. schibboleth, sjibboleth (1805).
Ndl. schibboleth, sjibboleth uit Hebreeus shibboleth 'vloed, koringaar'. Die oorsprong van die woord is aan te tref in Die Bybel in Rigters 12:4-6: Die Gileadiete het die vlugtende Efraimiete by 'n spruitjie voorgelê en, om hulle te onderskei van hulle eie mense, gevra om sjibbolet as 'n herkenningswoord uit te spreek. Die Efraimiete het nie die 'sj'-klank in hulle taal gehad nie en het dus 'sibbolet' gesê, waarop hulle om die lewe gebring is.
Eng. shibboleth (14de eeu in bet. 1, 1638 in bet. 2), Fr. schibboleth.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Sjibbolet, schibbolet, woord waarvan de uitspraak verraadt welke taal of welk dialect iemand spreekt en dus uit welk volk iemand stamt; (fig.) uiting of handeling die onthult wat iemands werkelijke overtuiging, eigenschap of hoedanigheid is.

Toen richter Jefta met de bewoners van de streek Gilead tegen de stam Efraïm streed, hanteerde zijn leger de volgende werkwijze bij de doorwaadbare plaatsen in de rivier de Jordaan: 'Daarna bezetten de Gileadieten de oversteekplaatsen van de Jordaan om de Efraïmieten de terugtocht te beletten. Wanneer een Efraïmiet die wilde vluchten vroeg of hij de rivier mocht oversteken, vroegen ze hem: "Kom jij uit Efraïm?" Dat ontkende hij natuurlijk, maar dan vroegen ze: "Zeg eens: 'sjibbolet'." Als hij dan "sibbolet" zei, en het woord dus niet goed uitsprak, grepen ze hem en doodden ze hem ter plekke' (Rechters 12:5-6, NBV). In het hedendaags Nederlands is een sjibbolet niet alleen een woord aan welks uitspraak men kan horen waar iemand vandaan komt, maar is het ook een uitspraak of handeling die onbedoeld verraadt hoe iemand ergens over denkt.

Liesveldtbijbel (1526), Rechters 12:5-6. Als si dan antwoorden neen, so deden si hem spreken, Schiboleth ende en conste hijt niet te recht geseggen, so grepen si hem ende sloegen hem aen die hauen der Jordanen. (Statenvertaling (1637): Schibboleth.)
Ons beruchtste sjibbolet is de sch. Iedereen kent het verhaal dat potentiële Duitsers in de meidagen van 1940 Scheveningen moesten nazeggen. Tot slachtingen heeft dat niet geleid. (Onze Taal, 1993, nr. 2/3)
'Kletskop' is het sjibboleth waardoor de mythe voor Onno uiteenspatte. Pas toen hij een oude joodse vrouw met dezelfde kleur ogen als Quinten dit woord hoorde zeggen, besefte hij dat Max maar wat gekletst zou kunnen hebben over zijn pleegvaderschap en misschien wel de echte vader van Quinten was. (Mulisch en de wetenschap. Naar aanleiding van De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch, 1995, p. 173)

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Schibboleth. Hieronder verstaat men een herkenningsteeken, waaraan men kan weten, of iemand al of niet tot zekere partij behoort. De uitdrukking is aan den Bijbel ontleend. Toen Jephta op de Ephraïmieten gezegevierd had, zochten velen hunner zich door de vlucht over den Jordaan te redden. Daarom bezetten Jephta’s mannen de veren, en lieten ieder, die over de rivier wilde, het woord Schibboleth uitspreken. De Ephraïmieten nu konden geen Sjibboleth zeggen, maar spraken van Sibboleth, en zoo verrieden zij zich. (Het woord beteekent: strooming, vloed.)
Iets dergelijks deden ook de Vlamingen, toen zij in 1302 Brugge overrompelden; om de Franschen te kunnen onderscheiden, lieten zij ieder schilt en vrient zeggen, dat een Franschman als skilt en friend uitsprak.
En “groote Pier” liet zijn gevangenen zeggen: “Buter, brea en griene tsiis; hwa dat net sizze kin is gin rjuchte Fries” (boter, brood en groene kaas; wie dat niet zeggen kan, is geen echte Fries).

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Schibboleth, herkenningsteeken, ook wel eens: leus; eigenlijk het woord, dat alleen goed uitgesproken kan worden door menschen van het eigen volk. Het is het hebr. woord Shibbóleth (= korenaar of vloed). Toen Jephta de Efraïmieten had verslagen, liet hij de vluchtelingen, die ontkenden van Efraïm te zijn, dit woord zeggen; zij konden het niet en zeiden Sibboleth. Wie daardoor bewees een vijand te zijn, werd door Jephta’s mannen verslagen (Richteren 12). Een derg. geval heeft zich voorgedaan in de Belgische geschiedenis, in 1301, toen de Klauwaards, onder Breydel en de Coninck, de Franschen de woorden Schild en Vriend lieten zeggen.
In Friesland in den opstand tegen Hendrik van Saksen gebruikte men als schibboleth: Fiouwer lotter Leepaeyen op in Finne herne in ien nest (Nav. 1, 38) en bij een andere gelegenheid een nog langeren zin (Nav. 1, 19). Bij de Siciliaansche Vespers werd den Franschen te zeggen gegeven als schibboleth ciciri of volgens anderen ciriagi of cerase (Nav. 1, 196 en 2, 157).
J. v. Lennep, Lev. v. C. v. Lennep 39: “Hieruit volgde in die Regeerings-familiën .. . het ontstaan van een meer gekuischte uitspraak onzer taal . . . , die het schibboleth bleef, waarvan men, ook na alle omwentelingen, hen, die het zuiver spreken, van hen, die ’t niet geleerd hebben, kan onderscheiden”.

R. Dozy (1867), Oosterlingen, verklarende lijst der Nederlandschen woorden die uit het Arabisch, Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch, Perzisch en Turksch afkomstig zijn, 's-Gravenhage

Schibboleth
De zin, waarin dit woord thans gebruikt wordt, is voortgevloeid uit Richteren XII, 6. Het was eene eigenaardigheid van het dialect der Ephraïmieten, dat zij de sj als s uitspraken. Het woord zelf beduidt vloed, stroom en ook korenaar.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schibbolet, sjibbolet herkenningswoord 1805 [WNT] <Hebreeuws

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1992. Schibboleth.

Onder een schibboleth of sjibboleth (dat ‘korenaar’ of ‘stroom’ beteekent) verstaat men een herkenningswoord, eene leuze. Het woord is ontleend aan Richt. 12 v. 6, waar wordt medegedeeld, dat de Ephraïmieten, die over de Jordaan wilden vluchten voor de Gileadieten, aan de veren dit woord moesten uitspreken, dat ze niet konden, zoodat zij niet sjibboleth maar sibboleth zeiden, waaraan ze door hun vijand werden herkend. Hetzelfde middel pasten de Vlamingen bij de overrompeling van Brugge (1302) toe om de Franschen te onderkennen, door ze schild en vriend te laten uitspreken. Vgl. Ndl. Wdb. XIV, 548 en Handelsblad, 18 Mei 1923 (O), p. 9 k. 4: Nog vaak is een voldoend cijfer voor rekenen het shibboleth, dat beslist over de verhooging.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal