Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sjerp - (band als waardigheidsteken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

sjerp zn. ‘band als waardigheidsteken’
Mnl. scherpe ‘zak, ransel’ [1240; Bern.], scerpe in .v. keselstene. Die hi in sine scerpe dede ‘vijf kiezelstenen, die hij in zijn tas deed’ [1285; VMNW scherpe], scaerpe in palster ende scaerpe ‘pelgrimsstaf en pelgrimstas’ [begin 15e eeuw; MNW scharpe]; vnnl. scharp, cherp, sjerp ‘band, schuin gedragen lap stof’ in een scharp, in plaets van stegelrepen ‘een band in plaats van stijgbeugels’ [1621; WNT], een Sjerrep om het lijf [1680; WNT], een witte band of cherpe [1685; WNT]; nnl. sjerp ‘sierband, schuin gedragen lap stof’ een gebloemde japon met een roode sjerp [1840; WNT], ‘band als waardigheidsteken’ in epaulet, sjerp en degen [1867; WNT].
In de moderne vorm (vanaf de 17e eeuw) misschien ontleend via Hoogduits Schärpe [17e eeuw; Kluge], maar, blijkens West-Vlaams sjarp, eerder rechtstreeks aan Frans écharpe ‘schuin gedragen band, sjerp’ [1549; TLF], en in eerdere vormen aan escherpe ‘verband dat, rond de hals of schuin gedragen, gebruikt wordt om de onderarm te ondersteunen’ [1306; TLF], escharpe ‘schoudertas, gevlochten tas’ [ca. 1135; TLF], wrsch. (TLF) ontleend aan Frankisch *skirpa ‘biezen mand’, zelf ontleend aan Laatlatijn scirpa ‘uit biezen gevlochten (mand)’, een afleiding van klassiek Latijn scirpus ‘bies’ of scirpāre ‘vlechten’, van verder onbekende herkomst.
In de BN-dialecten heeft sjarp/sjerp dezelfde betekenis als in het Frans en het Engels, namelijk ‘gebreide wollen das’.
Lit.: Debrabandere (2000), 95

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sjerp [band als waardigheidsteken] {scharp 1621, cerrip, sjerrep 1680} < hoogduits Schärpe < frans écharpe [tas met bandelier] < middeleeuws latijn scirpa < latijn scirpeus [van biezen], van scirpus [bies].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sjerp znw. m. < nhd. schärpe, dat aan de Rijn in de 17de eeuw aan fra. écharpe ontleend is. Het ofra. escherpe, ontleend als mnl. scarpe, scaerpe, scerpe bet. ‘pelgrimstas’; dit komt uit mlat. scirpa, bijvorm van scirpea ‘uit biezen gevlochten tas’. — Het merowingische scrippa ‘pelgrimstas’ zal men hiervan moeten scheiden; dit beantwoordt aan on. skreppa; men heeft dan ook mnl. scarpe hiervan als metathesisvorm willen opvatten en dan verder aangenomen, dat ofra. escherpe hieraan zou ontleend zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sjerp znw. Uit nhd. schärpe v., dat in de 17. eeuw uit fr. écharpe “sjerp” ontleend is. Ofr. escharpe beteekende “pelgrimstasch”. Hiervan mnl. scarpe, scaerpe, scerpe v. “id.”; escharpe zelf wordt wel uit mhd. scharpe naast scherbe “zak, tasch” verklaard; de verhouding van deze germ.-rom. woorden tot ags. scripp (o.? eng. scrip), on. skreppa v. “id.”, mlat. scrippa (mv.) “pelgrimstasch” is onzeker.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

sjerp. Schrap: “ags. scripp”. Eng. scrip is wsch. ontleend uit de ofr. vorm escreppe, waarvan mlat. scrippa wellicht slechts een verlatijnsing is. Uit deze ofr. vorm ook on. skreppa?

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sjerp v., uit Fr. écharpe, dat in ʼt Ofra. nl. escharpe = pelgrimstasch en ontleend is uit Mnl. scarpe = tasch.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sjerp (zn.) sjaal; Nuinederlands sjerp <1621> < Frans écharpe.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

serp s.nw.
1. Versierde skouer- of lendeband as deel van 'n uniform of as teken van waardigheid. 2. Lang, breë band van wol of sy wat om die nek gedra word.
In bet. 1 uit Ndl. sjerp (1621 in die vorm scharp). In bet. 2 uit gewestelike Ndl. sjerp (1881). Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880).
Ndl. sjerp uit Hoogduits Schärpe (17de eeu) uit Fr. écharpe (13de eeu), dus is dit mntl. dat die vroeëre Ndl. vorm scharp direk aan Fr. ontleen is.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

serp: halsdoek; waardigheidsband; Ndl. sjerp uit Hd. schärpe uit Fr. écharpe (Ofr. escharpe, op sy beurt wsk. uit Germ.), verb. m. Eng. scarf en scrip mntl. maar onseker, v. Kloe HGA 25-6.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

sjerp (Duits Schärpe)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sjerp ‘band als waardigheidsteken’ -> Deens skærf ‘sjaal, ceintuur’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors skjerf ‘das, sjaal’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds skärp ‘ceintuur’ (uit Nederlands of Nederduits); Papiaments shèrp ‘band als waardigheidsteken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sjerp band als waardigheidsteken 1621 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut