Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sjacheren - (minderwaardige handel drijven, afdingen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

sjacheren ww. ‘minderwaardige handel drijven, afdingen’
Vnnl. schacheren, sjacheren ‘minderwaardige, ongeregelde handel op kleine schaal drijven’ in eenige Ioden, die aldaar snedigh oppassen om wat te schaggeren ‘... goed opletten om ...’ [1676; WNT]; nnl. schacheren ‘ongeregelde handel drijven’ in Romeinen ... die ook reis kwamen kijken of er wat te schagcheren viel [1809; WNT], ‘pingelen, loven en bieden’ in Terwijl hij ... over de prijs schachert [1897; WNT], sjacheren ‘handelen op kleine schaal’ in al wat leeft en streeft ... al wat sjachert [1903; Groene Amsterdammer].
Ontleend aan Duits schachern [17e eeuw; Kluge], dat zelf ontleend is aan West-Jiddisch sachern ‘handel drijven’, een afleiding van sacher ‘handel’ dat teruggaat op Hebreeuws sāḥār ‘het handel drijven’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sjachelen, sjacheren [minderwaardige handel drijven] {schaggeren 1676, schachelen 1855} < rotwelsch schachern [handel drijven], misschien van jiddisch sacheren [idem] < hebreeuws sāḥar [rondgaan, handel drijven] of van hebreeuws saḥar [handel, handelswinst].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sjacheren ww. ook schacheren, sedert 1676 bekend en wel uit nhd. schachern (reeds sedert 1613) overgenomen, joods-duits < hebr. sāḫar ‘door het land rondtrekken’, nieuwhebr. ‘als koopman rondtrekken’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schachelen, schacheren ww., nog niet bij Kil. Evenals nhd. schachern uit de Jodentaal (hebr. sâḥar = “handeldrijvend rondtrekken”).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schachelen, schacheren, reeds 1676. Hd. schachern sedert 1613.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schacheren o.w., uit Hebr. sahar = winst. van sāhar = hij leurde rond.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sjachere (ww.) pingelen, handel drijven; Nuinederlands sjacheren <1676> < Duits schagern.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

sjacheren (Duits schachern)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schacheren, van ’t Hebr. sachar = winst; ’t woord bet. dus: winst behalen; koophandel drijven.

R. Dozy (1867), Oosterlingen, verklarende lijst der Nederlandschen woorden die uit het Arabisch, Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch, Perzisch en Turksch afkomstig zijn, 's-Gravenhage

Schacheren, schacheraar
Het Hebr. sachar (סחר), rondgaan, bepaaldelijk om handel te drijven, handel drijven; Jodenduitsch sachern, schachern; partie, socheer, Chald. sacheer, Jodend. saucher, socherer, koopman.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sjacheren ‘minderwaardige handel drijven’ -> Jakartaans-Maleis sekaker ‘gierig, schraperig, inhalig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sjacheren minderwaardige handel drijven 1676 [WNT] <Duits

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2506. In de wacht sleepen,

d.w.z. zich toeëigenen, ‘wennen’, veroveren, winnen; ontleend aan de soldaten of de politie-agenten, die iemand of iets in de wacht, het wachtlokaal, opbergen, arresteeren, inrekenen. Vgl. V. Ginneken II, 463: In de wacht sleepen: iets meenemen of meepakken, vooral als het voorwerpen betreft, waarvan het eigendomsrecht betwist zou kunnen worden; Harreb. II, 432: Hij haalt alles in de wacht, het is een inhalig mensch; Nkr. III, 25 Dec. p. 4:

 Ze hebben gesjacherd‘Sjacheren’ is, evenals het hd. schachern, ontleend aan 't hebr. sâhar, handeldrijvend rondtrekken. aan de Bank,
 Verheugden zich in 't geldgeklank;
 Ze sleepten de winsten in de wacht
 En hebben de eerlijkheid verkracht.

Zondagsblad van Het Volk, 2 Juli 1905 p. 7: Z'n klokke is al weg. Heb je dat in de wacht gesleept? Neê, Kees, gekocht voor vijf en dertig stuivers; Nkr. III, 5 Sept. p. 4: t' Is Roomsche plicht om Breukelen zelf in de wacht te sleepen; Het Volk, 29 Januari 1914 p. 6 k. 4: De vrijzinnigen voelen zich de kam gewassenVgl. ook Nkr. IX, 14 Aug. p. 2: Hoe zwol den rekels toen de kam! Ze voelden zich al heer en meester van Zaandam!; hd. der Kamm schwillt ihm, er wird übermütig, herausfordernd. Wanneer een haan kwaad wordt en wil vechten, zwelt hem de kam en wordt deze rood. Zie ook Molema, 189: 'n kam kriegen, boos worden; het I7de eeuwsche den hanekam opsteken, zich trotsch verheffen; fr. lever, dresser la crête. door de zoo gemakkelijk behaalde overwinning in IV en hopen ook dit zeteltje in de wacht te kunnen sleepen; Nw. School, VI, 263: Zo'n broekie dat pas zijn hoofdakte per ongeluk in de wacht gesleept heeft; De Arbeid, 21 Maart 1914 p. 4 k. 2: Ook de onkosten sleepen een boel in de wacht; 12 Dec. 1914 p. 2 k. 2: Maar wàt er te halen valt sleepen ze in de wacht..... Wat is dat nu weer voor 'n smerige uitlating? Wat sleepen de ‘vrijen’ in de wacht, Jan Oudegeest, wat hen niet toekomt?; 16 Januari 1915 p. 2 k. 4: Is het geen heerlijk idee te weten dat die voor 2 1/2 millioen gulden heeft ingeschreven op de leening, aan rente, daarvan jaarlijks 125 duizend gulden in de wacht sleept? Het Volk, 19 Aug. 1915 p. 5 k. 4: Wie denkt daar nu aan als er een baantje in de wacht valt te sleepen? D.H.L. 13; Het Volk, 7 Maart 1914 p. 7 k. 2: Vol verwachting gaan dus morgen de roodwitten naar Rotterdam om te trachten de twee puntjes of althans één in de wacht te sleepen; 5 Januari 1914 p. 8 k. 2: We zien Quick, dat nog bijna alle thuiswedstrijden moet spelen, nog wel meer puntjes in de wacht sleepen; Haagsche Post, 17 Oct. 1914 p. 8 k. 3: Nadat Buwalda den stand op 2-2 gebracht had, wist Van Randwijck zoowaar de twee puntjes in de wacht te sleepen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut