Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sinus - (verhoudingsgetal)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

sinus zn. ‘verhoudingsgetal’
Vnnl. in slinckerhoucx houckmaet (in de marge: Sinus) tot rechterhoucx houckmaet ‘(de verhouding) van de hoekmaat van de linkerhoek tot de hoekmaat van de rechterhoek: Sinus’ [1608; WNT Aanv.]; nnl. sinus ‘verhoudingsgetal’ in Trigonometrische ... Tafelen, waar in men de Sinus en Tangentes voor alle Graden van den Quadrant en alle Minuten van eenen Graad vind [1740; WNT Aanv.], ‘verhouding loodlijn tot straal’ [1847; Kramers].
Ontleend aan middeleeuws Latijn sinus ‘verhoudingsgetal’, klassiek Latijn ‘boog, welving, plooi van een toga’, verdere herkomst onbekend. Dat woord werd onder meer door Gerardo van Cremona (ca. 1114-1187) gebruikt ter vertaling van de Arabische term voor sinus; daarbij werden mogelijk Arabisch jība, jaib (wiskunde) ‘koorde van een hoek’ en jaib ‘bundel, plooi, halsopening van een kledingstuk’ aangezien voor hetzelfde woord, waardoor de keus op sinus viel. Arabisch jiba is ontleend aan Sanskrit jīvā ‘pees van een boog’ en in de wiskunde ‘koorde van een hoek, sinus van een hoek’; veel van de wiskundige kennis van de Arabieren is ontleend aan de kennis van de oude Indiērs, zie ook → nul.
cosinus ‘sinus van het complement van een hoek’. Nnl. cosinus ‘verhoudingsgetal’ in Sinus Complementi of ook Co-Sinus, is de Sinus van eenen Hoek of Boog, welke met een anderen opgegeven Hoek of Boog, 90 Graaden beslaat [1777; WNT Aanv.], grootheidsbepalingen, die bij de driehoeksmeting te pas komen; zij zijn de sinus, cosinus, tangens ... [1856; WNT Aanv.]. Internationale wetenschappelijke term, verkorting van middeleeuws Latijn complementi sinus ‘sinus van het complement’; de verkorting is waarschijnlijk in 1620 bedacht door de Engelse wiskundige Edmund Gunter (1581-1626) (BDE, TLF).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sinus [holte, meetkundige term] {1614 als wiskundige term; als ‘holte’ 1926-1950} < latijn sinus [welving, plooi, baai, schoot, het binnenste]; de wiskundige benaming berust op Gerardo van Cremona (1114?-1187), die uit het ar. in het lat. vertaalde en arabisch jayb [opening (van een kleed) bij nek of borst, hart, boezem, sinus].

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

sinus (Latijn sinus)

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Sinus. In de Indische wiskunde heette de helft van de koorde van het dubbele van een cirkelboog de ardhâ-jyâ (ardha = half; jyâ = koorde) van dien boog. Dit werd, afgekort tot jyâ of jîv, door de Arabieren als ğîb geschreven en wegens overeenstemming in de alleen neergeschreven consonanten ge-identificeerd met Arab. ğaib = plooi of opening van een kledingstuk; fig. boezem. Dit werd daarna in het Lat. lett. vertaald als sinus.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sinus ‘verhoudingsgetal’ -> Papiaments sinùs ‘verhoudingsgetal’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sinus verhoudingsgetal 1614 [WNT wezen I] <Latijn

sinus holte 1847 [KKU] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut