Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sint - (heilige)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

sint zn. ‘heilige’
Mnl. sente, sint, sant ‘heilig (voor heiligennamen), heilig persoon’ in der gude sente Seruas. gew[iet] ‘gewijd aan de goede heilige Servatius’ [1200; VMNW sente], Sdonderdags vor de gheborte sant jans baptisch ‘donderdag voor de geboortedag van Sint Jan de Doper’ [1257; VMNW sant], sante ende ingele ‘heiligen en engelen’ [1265-70; VMNW sant], Saterdages na Sinte benedictus [1275; VMNW sente]; vnnl. sint ‘heilige’ (voor heiligennamen) in Sint Jan ‘de heilige Johannes’ [1588; Kil.].
Ontleend aan Frans saint, sainte ‘heilige’ [950-1000; TLF], ontwikkeld uit Laatlatijn sanctus ‘heilige’, zelfstandig gebruik van klassiek Latijn sānctus ‘heilig, gewijd’, verl.deelw. van sancīre ‘wijden, heilig maken’, verwant met sacrāre ‘id.’, zie → sacrament.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sint [heilige] {sent, sint 1200} < frans saint < latijn sanctus [heilig] (vgl. sant).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sint znw. m., in samenstellingen mnl. sint(e), sent(e), sunt(e), sint(e), evenals mnd. sinte, sente, sunte, fri. sent, sint < fra. saint(e) < lat. sanctus.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sint znw. en in samenst., mnl. sint(e), sent(e), sunt(e), sont(e). Evenals mnd. sinte, sente, sunte, fri. sent, sint “sint” uit fr. saint, v. sainte (< lat. sanctus). Zie sant. — Sinter-(Niklaas), mnl. senter-, sinter-. Uit sent, sint + her “heer”, maar al mnl. ook van vrouwelijke heiligen gebruikt.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sint bijv., uit Fr. saint, van Lat. sanctum: z. sant. Sinter- als in Sinterklaas, is niet sint heer, maar een vr. datief overeenkomende met misse in constr. als tsenter Victors misse, dan door analogie ook gebruikt in constr. met dag als voir senter Margrietendach, voorts in constr. met onuitgedrukt mis, dag, kerk enz. als tot sinter Vijts, tsinter Gillis, en eindelijk behouden als de eigennaam zonder bepaling was.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1sint b.nw.
Heilig.
Uit Ndl. sint (1861).
D. sankt (9de eeu), Eng. saint (1175), Fr. saint (11de eeu).

2sint s.nw.
Heilige.
Uit Ndl. sint (Mnl. sint, sent).
Eng. saint (1000), Fr. saint.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

sint (Frans saint)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Sint (Heilige), van ’t Fr. saint, uit ’t Lat. sanctus = heilig. – Sinterklaas staat voor Sint-her-Klaas = Sint-Heer-Klaas.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sint heilige 1200 [CG II1 Servas] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut