Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sinecure - (gemakkelijke taak)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

sinecure zn. ‘gemakkelijke taak’
Nnl. sinecura, sinecure ‘rustig baantje, ambt met bezoldiging voor weinig of geen werk’ [1824; Weiland], ‘gemakkelijke taak’ in die de funktie van Wetgever tot 'n sinecure maakt [1871; WNT wetgeving], dat was geen sinecure [1946; WNT Aanv. wedstrijd].
Ontleend via Engels sine-cure [1672; OED], ouder sine-cura [1662; OED], ‘rustig baantje, luizenbaantje’ aan middeleeuws Latijn (benificium) sine cura, letterlijk ‘beneficie zonder verzorging’, d.w.z. ‘kerkelijke waardigheid zonder de taak van zorg voor gelovigen’, van klassiek Latijn sine ‘zonder’, verwant met → zonder, en cūra ‘zorg’, zie → kuur 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sinecure, sinecuur [gemakkelijk baantje] {1859} < engels sinecure of < frans sinécure < latijn (beneficium) sine cura [een beneficie of waardigheid zonder de verzorging, d.w.z. van de zielen], cura [verzorging] (vgl. cureren).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

sinekuur s.nw.
Amp of betrekking sonder baie werk maar met salaris.
Uit Ndl. sinecure of sinecuur (1859).
Ndl. sinecure, sinecuur uit Eng. sinecure (1662) of Fr. sinécure uit Latyn sine cura 'sonder sorg (van siele)'.
D. Sinekure, It. sinecura, Port. sinecura, Sp. sinecura.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

sinecure (Engels sinecure)

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Sinecure (Lat.: sine = zonder; cura = zorg) heette een prebende (= kerkelijk ambt met een jaarwedde), die den bezitter wel een vast inkomen verschafte, maar zonder dat er geestelijke ambtsbezigheden aan verbonden waren. Bij overdracht noemt men een sinecure een betrekking, die zeer voordeelig is, zonder dat men er moeite voor behoeft te doen, of ook wel eenvoudig een ambt, dat niet veel kennis of moeite vordert, bijv.: “Dat ambt is lang geen sinecure.”

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sinecure gemakkelijk baantje 1859 [WNT] <Engels of Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut