Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

simmen - (jengelen)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

simmen* [jengelen] {1901-1925} klanknabootsende vorming, evenals simpen, sjimpen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

soempen, zumpen, zompen, zimpen, ww.: onbeholpen viool spelen, krassen op de viool, stenend loeien, huilen, aanhoudend huilen. Vgl. Br. simmen, simpen, summen, sumpen ‘pruilen; grijnzen, zeuren’. Rijnl. zumpen ‘huilen, janken’. Klankexpressief.

zumpen, ww.: huilen; loeien. Met geronde klinker naast Ndl. klankexpressief simmen, sjimmen, simpen, sjimpen ‘jengelen’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

simmen, simmiën, tjemmiën, simpen, summen, sumpen, ww.: pruilen; grijnzen, zeuren. Het WNT verklaart simmen, sjimmen, sjimpen als ‘huilen, jengelen’. Klankexpressief. Summen door ronding i > u voor bilabiale m. Afl. summerij ‘ongegronde angst’.

summen, sumpen, zie simmen.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

simmen, zimmen ww.: drenzen, zeuren, kniezen, mokken. Vgl. Ndl. simmen, sjimmen, sjimpen ‘schreien, jengelen, zielig doen’. Klankexpressief woord.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

simpern huilend zeuren (Drente). ~ nl. simmen ‘id.’, holl. sjimpen ‘id.’. Geen verdere etymologie.
Sassen 42, WNT XIV 1400.

zumpe huilen (Venlo). Vgl. nl. simmen, sjimpen, sjimmen.
Alsters e.a. 295, WNT XIV 1360, 1400.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

simmen* jengelen 1872 [GVD]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1417. De lip laten hangen,

d.w.z. een ontevreden en zuur gezicht zetten, simmen (o.a. in Nest, 18; 147), summen, sumpen (Antw. Idiot. 1215), op het punt staan van te schreien, vooral van kinderen gezegd, dial. eene pan of een penneke makenNdl. Wdb. XII, 265; N. Taalgids XIV, 197.; vgl. een hanglip, een pruiler. In Zuid-Nederland eene lippe (leppe) maken, de lippe(n) spannen, - trekken, - zetten (de beide laatste ook bij ons); in Kl.-Braband zijn lippen slepen of laten hangen (Joos, 86; Teirl. II, 208); Antw. een lip trekken of zijn lip laten hangen; fr. faire la lippe, faire une grosse lippe; Zaansch: een prutlip (pruillip) zetten. Vgl. Plantijn: Lippen, de lippe hangen laten, faire le lippu, labra exerere, labiosum agere; Halma, 321: De lip laaten hangen, pruilen, bouder, faire la mine; Van Effen, Spect. IX, 63; X, 19; XI, 147; C. Wildsch. III, 304; Tuinman I, 92; Sjof. 40; Ndl. Wdb. V, 2099; VIII, 2477; Villiers, 74. De Duitschers zeggen: das Maul oder die Lippen hangen lassen; in het nd. is bekend: de Lippen hongen lâten (Eckart, 330); oostfri. hê lett de lebbe (od. lipe) hangen (Ten Doornk. Koolm. II, 481); eng. to hang one's lip (verouderd). In Groningen: de lip op 't darde knoopsgat hangen loaten (Molema, 539 b), waarmede te vergelijken is haer aenschijn hangt in den derden schakele (bij Colijn v. Rijssele, Sp. der M. 1060); in Limb. hij heeft de lippen op de klompen hangen (is slecht geluimd; 't Daghet, XII, 126); fri. de lippe (of prullippe) hingje litte.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut