Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sikkel - (zeis)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

sikkel zn. ‘kleine zeis’
Mnl. sikle ‘sikkel, kleine zeis’ [1240; Bern.], sickele, sekele ‘id.’ in Een C zekelen ‘een honderdtal sikkels’ [1252; MNW sekele], in Met waghenen die an beeden siden. Met sickelen tfolc ontve sniden ‘met (strijd)wagens die aan beide zijden het volk met messen in tweeën snijden’ [1285; CG II, Rijmb.], coren ... met sikkelen aue sniden ‘koren met sikkels afsnijden’ [1291-1300; VMNW].
Ontleend aan vulgair Latijn *sicila ‘sikkel’, nevenvorm van klassiek Latijn sīcīlis ‘sikkel’. In het Nederlands trad geminatie op, zoals in de West-Germaanse talen wel vaker voor l of r, zie bijv.akker en → fakkel. In sommige, vooral westelijke dialecten, komt nog steeds de vorm zekel ‘sikkel’ voor, die geen geminatie kreeg, maar wel rekking van de klinker in open lettergreep.
Evenzo ontleend zijn: mnd. sekele (vanwaar door ontlening nde. segl); ohd. sihhila (nhd. Sichel); nfri. sytsel, sisel, sizel; oe. sicol (ne. sickle).
De herkomst van Latijn sīcīlis is onzeker, evenals die van het wrsch. erbijbehorende woord sīca ‘dolk’. De traditioneel aangenomen verwantschap met Latijn secāre ‘snijden’, waarvoor zie → zaag, wordt afgewezen door De Vaan (2008), die ontlening aan een niet nader genoemde taal voorstelt. De sikkel als gereedschap is van Keltische oorsprong.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sikkel2 [zeis] {sickele, sekele 1201-1250} < latijn sicula [sikkel], verkleiningsvorm van sica [dolk], verwant met secare [snijden].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sikkel 1 znw. v. ‘gereedschapʼ, mnl. sickele, sickle v. naast gewoner sēkele v. (vgl. zeeuws, noordbrab. zaans zekel, zuidafr. sekel), evenals mnd. sēkele (> nde. segl, nzw. dial. sikel), ohd sihhila (nhd. sichel), oe. sicol (ne. sickle) < vulg. lat. sicila voor lat. secula. — Het woord is reeds voor de 5de eeuw ontleend; de Angelsaksen schijnen het nog in hun oorspronkelijke woonplaats te hebben leren kennen; het lat. woord drong uit Noord-Italië en Gallië het Germaanse gebied binnen als een vakterm van het landbouwbedrijf. Lat. secula is afgeleid van de wt. *sek ‘snijdenʼ, waaruit ook zeis en zaag ontstaan zijn.

De uitspraak met s aan het begin berust op de plaats voor volgende -kk- (vgl. ook fakkel). — Inheemse woorden voor de sikkel zijn heep, verder mnd. oostfri. on. (bij oi. lavi-, lavitra- ‘sikkelʼ) en got. gilþa.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sikkel II (gereedschap), met s en niet z vóór volgende kk (vgl. fakkel met f, niet v), mnl. sick(e)le v. naast gewoner sēkele v. (nog. dial. zēkel, o.a. Zeeuwsch, Zaansch, N.Brab., ook Zuid-afrikaansch sekel). Evenals ohd. sihhila (nhd. sichel), mnd. sēkele v., ags. sicol m. (eng. sickle) “sikkel” uit lat. secula “id.”. De vorm sikkel misschien uit vulgairlat. *secla (vgl. fakkel), veeleer echter ontstond in ’t Ndl. in sommige vormen zooals ’t mv. sēkelen via sēklen een vorm siklen, waarbij dan de nomin. enk. mnl. sic(k)le, nnl. sikkel gevormd werd; vgl. bij monnik.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

sikkel II (gereedschap). Lat. secula zal wel ê hebben. De wgerm. vormen zijn het best als ontl. uit lat. sicilis ‘sikkel’ te verklaren. Vgl. Niedermann Essais 21.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sikkel 1 v. (zeis), gelijk Hgd. sichel, Eng. sickle, uit Lat. seculam (-a), een afleid. van secare = snijden (z. zagen).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

sekel: bep. tipe werktuig om graan, gras, ens., te sny; Ndl. sikkel (Mnl. sick(e)le/sēkele, dial. sēkel/zēkel), Hd. sichel, Eng. sickle, uit Lat. secula, wat verb. hou m. secare, “sny”, en m. segmentum, “afgesnyde stuk”, verw. aan sens (q.v.).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Sikkel, van ’t Lat. secula, afl. van secare = snijden; zie Zaag. (Vgl. secans = snijlijn.) Het woord is als zooveel andere landbouwtermen van de Romeinen overgenomen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sikkel ‘zeis’ -> Deens segl ‘zeis’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect skèye, skêye ‘zeis’; Noord-Sotho sekele ‘zeis’ ; Tswana sekele ‘zeis’ ; Xhosa sekile ‘zeis’ (uit Afrikaans of Engels); Zoeloe sikela ‘zeis’ (uit Afrikaans of Engels); Zuid-Sotho sekele ‘zeis’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sikkel zeis 1240 [Bern.] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut