Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sijpelen - (langzaam wegvloeien)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

sijpelen ww. ‘langzaam wegvloeien’
Vnnl. 't zijpelende bloedt [1648; iWNT zijpelen], Water, dat van duyn komt zeepelen [1653; iWNT], luyden, die geduyrigh de wijn langhst de kinne zijpelt ‘lieden, bij wie de wijn steeds langs de kin druipt’ [1657; iWNT wijn], het uijt sijpelen vande wijngaerd ‘het druppelen van de wijnstok’ [1680; iWNT uitsijpelen]; nnl. 't beekje sypelt uit de spleeten Van 't duin [ca. 1710; iWNT].
Frequentatief van het sterke werkwoord vnnl. sijpen ‘druipen, druppelen’ [1574; Thes.], reeds mnl. sipen in die trane ... sepen op die wangen ‘de tranen druppelden op de wangen’ [1265-70; VMNW]. Mnl. s- leidt klankwettig tot nnl. z-, maar is in dit woord als s- blijven staan; de z- komt nog wel voor in toponiemen, bijv. de waternaam Zijpe in Zeeland en Noord-Holland, en in dialecten, bijv. West-Vlaams zijpen.
Bij mnl. sipen: mnd. sipen; mhd. sīfen; ofri. sīpa (blijkens de attestatie biseppen ‘betraand (van ogen)’); nde. sive; alle ‘druppen, vloeien e.d.’; nno. sipe ‘grienen’ ; < pgm. *sīpan- (wrschl. *sipōn). Frequentatieven met r ipv l zijn nzw. sippra ‘sijpelen’ en mnd. sipern ‘id.’. Zie ook → sip.
Verwant met: Grieks eíbein ‘laten vloeien’ (mits dit een vorm is uit een dialect waar h- verdwenen is); < pie. *seib- (LIV 521).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sijpelen* [onmerkbaar doorlekken] {1653} iteratief van sijpen, nevenvorm van zijpen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sijpelen, siepelen, sijperen ww., eerst na Kiliaen, die echter wel sijpen noemt = mnl. sîpen (sterk) ‘druppelen, druipenʼ (vla. zijpen), mnd. sīpen, mhd. sīfen, ofri. sīpa, oe. sīpian, nzw. dial. sīpä ‘druppelenʼ. — Daarnaast mnl. waternaam Sipe (nnl. Zijpe), mnd. sīp m. o., sīpe m., mhd. sīfe m. ‘beekjeʼ en mnd. sīpe v. ‘vochtig laag landʼ, fri. syp, sīpe ‘waterleidingʼ. Verder abl. mnl. sēpel ‘druipendʼ, sēpelen ‘druppelenʼ, vgl. on. sipill ‘bijnaamʼ = nnoorw. sipil ‘pottelikkerʼ, sipla ‘slurpenʼ. — Germ. *sīp staat naast *sīk (zie: zeiken) en *sīg (zie: zijgen) — Zie verder: zeep en zeef.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sijpelen ww., minder gewoon sijperen, dial. (o.a. Goer.) ook met z, nog niet bij Kil. Frequentativum van Kil. sijpen, mnl. sîpen (sterk) “druppelen, druipen” (nog vla. zijpen) = mhd. sîfen, mnd. sîpen, ofri. sîpa (in bi-seppen verl. deelw., van een oog gebruikt), ags. sîpian, zw. dial. sipä “id.”, noorw. dial. sîpa “schreien”. Hierbij ndl. Zijp(e), reeds mnl., = mhd. sîfe m., mnd. sîp m. o., sîpe m. “beekje”, sîpe v. “vochtig, laag land”, fri. syp, sipe “waterleiding”, en met ablaut mnl. sēpel “druipend”, sēpelen “druipen” (beide van de oogen), wsch. ook zeep. Misschien verwant met gr. eíbō (*heíbō?) “ik druppel” (trans.), hoogerop wsch. met zeef.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

sijpelen. “Zw. dial. sipä”, lees: sipa.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sijpelen ono.w., frequent. van zijpen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

ziepele, ziepe (ww.) druipen; Nuinederlands sijpelen <1648>.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

sypel ww.
1. Langsaam, onmerkbaar deur iets vloei. 2. Langsaam langs iets afdrup. 3. (fig.) Byna onopgemerk deel word van iets, bv. in 'n stelsel idees.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. sijpelen (1653 in bet. 1, 1726 in bet. 2). Bet. 3 het in Afr. self ontwikkel.
Vgl. 2syfer.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

syfer II: deurkom, deurlek (v. vog/water), by Wik scyfferen; in Ndl. gew. sijpelen, frekw. v. sijpen (by Kil sijpen, maar nog nie sijpelen nie, in Afr. egter sypel as sinon. v. syfer) naas (minder gew.) sijperen en dial. Ndl. sieveren/zieveren (Scho TWK/NR 7, 2, p. 30), wisg. l/r is gew., p/f nie – is Afr. syfer (of sy Ndl. voorganger) misk. beïnvl. d. Ndl. sijfelen (uit Fr. siffler, Lat. sibilare, “sis, suis”?) en hou Afr. syfer/sypel verb. m. Eng. seep(age)?

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sijpelen ‘onmerkbaar doorlekken’ -> Papiaments sipel (ouder: ziepel, zipel) ‘onmerkbaar doorlekken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sijpelen* onmerkbaar doorlekken 1653 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut