Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

signaal - (teken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

signaal zn. ‘teken’
Vnnl. signael ‘teken, zegel, kruisteken’ [1588; Kil., Appendix], Die vande stadt staecken een swart... vendel op ... tot een signael van haer vuyterste noot ‘de stedelingen staken een zwart vaandel omhoog als teken van hun uiterste nood’ [1593; WNT vendel], ook in samenstellingen als signael schooten ‘signaalschoten’ [1600; WNT vuren II]; nnl. signaal ‘sein, teken’ in het gebruik der Scheeps Seinen of Signalen [1797; Vad.lett.].
Ontleend aan Frans signal ‘teken, sein’ [1412; TLF], eerder al ‘eigendomsmerk van dieren’ [ca. 1298; Rey], ouder seignau ‘zegel, handtekening’ [1265-66; TLF] < Laatlatijn signale ‘teken’, onzijdige vorm van het bn. signalis ‘gebruikt als teken’, een afleiding van klassiek Latijn sīgnum ‘teken’, zie → sein.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

signaal [teken] {signael 1588} < frans signal < middeleeuws latijn signale (< latijn signaculum [merkteken]), eig. het zelfstandig gebruikt o. van signalis [teken-], van signum [teken] (vgl. significant).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

signaal znw. o., sedert Kiliaen < fra. signal < mlat. signāle, onz. van signālis ‘bestemd om een teken te gevenʼ. — Zie ook: sein 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sein znw. o., nog niet bij Kil. Eer uit eng. sign (< fr. signe < lat. signum) “teeken” dan uit den ouden en dial. fr. vorm sein, seing “id.”. Van de afl. mlat. signâle, fr. signal komt ndl. signaal o., sedert Kil.; ook elders ontleend. Voor een vroegere ontl. uit lat. signum zie zegen I.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

sinjaal s.nw.
1. Teken of sein om iets te doen of nie te doen nie. 2. Voorteken, waarskuwing van iets wat kom. 3. Instrument, toestel waarmee tekens of seine gegee word.
Uit Ndl. signaal (1588 in bet. 1, 1857 in bet. 2, 1908 in bet. 3).
Ndl. signaal uit Fr. signal (ongeveer 1200) uit Middeleeuse Latyn signale, die selfst. gebruik van signalis 'teken-', met lg. van die ww. signum 'teken'.
D. Signal (17de eeu), Eng. signal (ongeveer 1380), It. segnale, segno, Port. sinal, Sp. señal.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

signaal (Frans signal)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

signaal ‘teken’ -> Indonesisch sinyal ‘teken’; Jakartaans-Maleis sinyar, sinyal ‘teken voor treinen op station’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

signaal teken 1588 [Claes] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut