Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sigaar - (rol tabak om te roken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

sigaar zn. ‘rol tabak om te roken’
Nnl. cegaar, cigaar, sigaar ‘rol tabak in dekblad’ in Een cegaar aangestoken [1808; WNT], in de samenstelling Cigarenbakje ‘sigarendoosje’ [1832; WNT zijstuk], met lichterlaaie pijp en brandende sigaar [1837; WNT tred(e)].
Ontleend aan Frans cigare [1770; TLF], eerder al cigarro, dat zelf ontleend is aan Spaans cigarro ‘tabak in blad; verpulverde tabak’ [ca. 1610; Corominas], waarvan de verdere herkomst niet zeker is. Het meest waarschijnlijk is dat Spaans cigarro een variant is van cigarra ‘sprinkhaan’ [1250; Corominas], een dier met een donkere ronde vorm; dat woord gaat, wrsch. via een variant *cicāra, terug op Latijn cicāda ‘boomsprinkhaan, cicade’; hiervoor pleit onder meer dat de Franse vorm cigale ‘krekel’, dat, wrsch. via een variant *cicāla, eveneens teruggaat op Latijn cicāda, in het Frans van de Antillen ook gebruikt is in de betekenis ‘sigaar’ [1724; Corominas]. Latijn cicāda is een woord van onduidelijke herkomst uit het gebied rond de Middellandse Zee. Niet waarschijnlijk is dat het ontleend is aan Yukateeks-Maya (een Indiaanse taal in Mexico) zicar, ziqar ‘roken van tabak’, een afleiding van sī'c, sic, siq ‘tabak, rol tabak om te roken’ of aan de afleiding zicar, ziqar ‘roken, geuren’. Hiertegen pleit dat zicar, ziqar een werkwoord is en niet de betekenis ‘rol tabak’ heeft en dat het woord cigarro dateert van geruime tijd na de introductie van het roken van tabak in Europa (Corominas).
De uitdrukking de sigaar zijn ‘de dupe zijn, erbij zijn’ [1926; WNT] is wrsch. afkomstig van een betekenis sigaar ‘mannelijk lid’: de sigaar zijn is synoniem met de lul zijn (WNT).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sigaar [rol tabak om te roken] {1808} < frans cigare (1808) < spaans cigarro, mogelijk uit maya sigar [roken], van siq [tabak].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sigaar znw. v., waarsch. omstr. 1800 < spa. cigarro > mayawoord siqar ‘opgerolde tabaksbladeren rokenʼ. — In de 19de eeuw werd sigaret uit fra. verkleinwoord cigarette overgenomen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sigaar znw. Internationaal woord, teruggaand op spa. cigarro (naar men aanneemt, van cigarra “krekel”): bij ons evenals in ’t Hd. tegen 1800 ontleend?

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

sigaar. Een jonger, eveneens internationaal woord, in het Ndl. wsch. ongeveer midden 19e eeuw ontleend, is † sigaret znw. < fr. cigarette.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sigaar v., door Fr., uit Sp. cigarro, dat de naam is van een tabaksoort op Cuba.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

sigaar’ (de, sigaren), (ook:) kleinste standaardhoeveelheid marihuana (ca. 5 g), verpakt in een wikkel. - Etym.: Er is enige gelijkenis met een ’sigaar’. - Syn. wikkel*. Zie ook: lai*. Opm.: Het is een nieuw woord, voornamelijk gebr. door gebruikers van marihuana.

N. van der Sijs (bezorger) (2003), Uit Oost en West. Verklaring van 1000 woorden uit Nederlands-Indië van P.J. Veth (1889), met aanvullingen van H. Kern en F.P.H. Prick van Wely (1910), Amsterdam. Gebaseerd op: Uit Oost en West. Verklaring van eenige uitheemsche woorden van P.J. Veth uit 1889, recensie van het werk van Veth door H. Kern in De Indische Gids van 1889, en ‘Etymologisch aanhangsel’ (p. 297-350) uit het Viertalig aanvullend Hulpwoordenboek voor Groot-Nederland van Prick van Wely uit 1910

cigaar [rol tabak om te roken]. Cigaar is het Spaanse cigarro; het roken van cigaren schijnt zich vanuit Spanje over Europa verspreid te hebben. In het Spaans wordt cigarro gebruikt zowel voor de fijne in papier of maïsblad gewikkelde tabak, die bij ons gewoonlijk cigarette heet, als voor het rolletje van tabaksbladen, dat wij cigaar noemen. Echter wordt ook in ’t Spaans voor de eerstgenoemde soort veelal het verkleinwoord cigarrita gebezigd.

De afkomst van het woord cigarro is onzeker. Gewoonlijk meent men dat het niets dan de inlandse naam is van de tabak van Cuba (Havanna); doch anderen beweren dat cigarro afstamt van cigarra ‘krekel’, wegens enige overeenkomst in voorkomen, die tussen dit diertje en een rolletje tabak zou bestaan. Deze laatste afleiding is mij echter te fantastisch; maar of werkelijk de inlandse taal van Cuba een woord voor tabak heeft dat op cigarro gelijkt, heb ik geen middel om na te gaan.

Men begint thans bij ons sigaar te schrijven, vooral op het voorbeeld, zo ik meen, van de Woordenlijst van de heren De Vries en Te Winkel. Ik zou echter menen dat al de gronden die ervoor zijn aan te voeren om in de woorden van vreemde afkomst, de uitgang daargelaten, de oorspronkelijke spelling te behouden, ook voor cigaar pleiten. Schrijft men sigaar, waarom dan niet ook sitroen, sider, enz.? Ook zal men, sigaar aannemende, om de consequentie sigarette moeten schrijven, niettegenstaande in dit woord ook de uitgang onnederlands en kennelijk aan het Frans ontleend is. [V]

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

sigaar (Frans cigare)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Sigaar, van ’t Fr. cigare, uit ’t Spaansch cigarro = een fijne tabakssoort op Cuba, waarvan de eerste sigaren gemaakt werden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sigaar ‘rol tabak om te roken’ -> Indonesisch sigar ‘rol tabak om te roken’; Petjoh sigé ‘sigaret, sigaar; de pineut’; Papiaments † sigaar ‘rol tabak om te roken’; Sranantongo sigara ‘rol tabak om te roken’; Arowaks sigara ‘rol tabak om te roken’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sigaar rol tabak om te roken 1808 [WNT] <Frans

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

sigaar: een — uit eigen doos krijgen, iets dat schijnbaar geschonken wordt zelf moeten betalen; zelf moeten opdraaien voor een bepaald voordeel. Iemand een sigaar uit eigen doos presenteren is ‘de (politieke) tegenstander trakteren op een koekje van eigen deeg’.

Als Van der Linden maar niet negatief in de krant kwam of ‘koning paspoort’, het Tweede-Kamerlid De Visser (PvdA), aanleiding voor kritische vragen kon vinden, was alles kennelijk best. Intussen presenteerde Van der Linden volgens hem de burger wel ‘sigaren uit eigen doos’. (NRC Handelsblad, 01/07/88)
Als je uitgaat van de door Financiën gehanteerde rekenmethode kom je niet op 1,25 maar op 0,8 procent huurwaardeforfait uit. De staatssecretaris geeft maar een fractie van de waardestijging terug. En CDA’er Hans Hillen: ‘Het huurwaardeforfait gaat alleen visueel omlaag. De huiseigenaren krijgen twee sigaren uit eigen doos.’ (Elsevier, 01/02/97)
De andere fracties in de Kamer wezen dat voorstel af. ‘Een sigaar uit eigen doos, met een heel dubieus bandje er om heen,’ sneerde CDA’er Lansink. (Trouw, 30/05/97)
Niet bepaald goedkoop (een CD — MDC) — 174 piek — maar beslist geen sigaar uit eigen doos. (HP/De Tijd, 23/01/98)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2044. De sigaar zijn,

er bij zijn, zuur zijn, vooral bekend door de operette van H. Bouber, de Jantjes, waarin het couplet:

 Wordt nooit verliefd, want dan ben je verloren,
 Je zeilt er in tot allebei je ooren;
 Wordt nooit verliefd, meiden, wat ik zeg is waar:
 Als je verliefd wordt, dan ben je de sigaar.

Het Volk, 15 Febr. 1922: Maar toen was de hanedresseur zelf de sigaar; omringd van eenige menschen uit het publiek werd-ie in een doek gevouwen en levend begraven; D.v.S. 20: Je suis le cigare! Gisterenmiddag moest ik bij den C.C. terecht staan wegens 'n vergrijp; Handelsblad, 21 Febr. 1916, p. 5 k. 5 (avondbl.): 't Was een echte Havanna, zei Pietje. Dat zag hij aan de asch. Zijn vader was sigarenmaker. Hij mocht ook een trekje doen. Ik bedoel Pietje. De meester zag het. Toen was ik de sigaar. Hij zei: wee je gebeente als ik je weer zie rooken; Elseviers Maandschr. XXVI, 63: En hoe kan ik naar zee gaan met een pandjesjas en een paraplu? Bovendien als opa, de vice-admiraal er achter komt, ben je de sigaar. Ook in den zin van zijn les niet kennen of een slechte beurt maken komt de sigaar of de sik zijn voor. Syn. is: de klos, de (te) piel, de pik, de pook zijn. Syn. is ook in 't Bargoensch de lul zijn, wat naast piel, pik en pook de richting aanwijst, waarin men de bet. van ‘sigaar’ moet zoeken.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut