Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sekte - (dogmatische religieuze groep)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

sekte zn. ‘dogmatische religieuze groep’
Mnl. van Mahumets secten ‘van de religieuze groep van Mohammed’ [1300-25; MNW-R]; vnnl. Luteraansche en andere ... Secten (‘sektes’) [1531; WNT].
Ontleend aan Laatlatijn secta ‘richting, partij, leer, religieuze sekte’, een afleiding van sequī ‘volgen’, zie → seconde. Mogelijk is de betekenis ook beïnvloed door Oudfrans siecte ‘doctrine’ [ca. 1155; TLF], later ook secte ‘id.’ [ca. 1316; TLF], ‘sekte’ [1525; TLF], in deze laatste betekenis beïnvloed door een veronderstelde relatie met secāre ‘snijden’, zie → sectie. Zie ook → set.
sektariër zn. ‘aanhanger van een sekte’. Vnnl. eerst sectarissen ‘sektariërs, ketters’ [1565; WNT remedieeren]; nnl. dan de Sectariërs ‘de ketters, de afgescheidenen’ [1881; Vos]. Ontleend aan Frans sectaire ‘protestant’ [1566; TLF], ook ‘aanhanger van een sekte’ [1584; TLF] en ‘iemand die zich intolerant gedraagt’ [1791; Rey], een afleiding van Frans secte. Het oudere woord sectaris is ontleend aan middeleeuws Latijn sectarius ‘ketter’ [1495; Fuchs], dat een afleiding is van secta ‘religieuze sekte, ketterse groep’.
Lit.: G.J. Vos (1881), Geschiedenis der vaderlandsche kerk, dl. 1, Dordrecht, 104

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sekte [aanhangers van gezindte] {secte [partij] 1348} < frans secte < latijn secta [gedragslijn, partij, richting, sekte], het zelfstandig gebruikt vr. verl. deelw. van secare [snijden].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sekte znw., reeds mnl. Uit mlat. secta. Ook elders ontleend.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

sekte s.nw.
1. Groep mense wat 'n bepaalde vertolking van die godsdiens het. 2. Afgesplitste godsdienstige groep.
Uit Ndl. sekte (al Mnl. in die bet. 'party').
Ndl. sekte uit Fr. secte uit Latyn secta, met lg. van secare 'sny', of uit Latyn sequi 'volg'.
D. Sekte, Eng. sect, It. setta, Port. seita, Sp. secta.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sekte ‘aanhangers van gezindte’ -> Indonesisch sékte ‘aanhangers van gezindte’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sekte aanhangers van gezindte 1531 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut