Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schuwen - (vermijden; vrezen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schuwen ww. ‘vermijden; vrezen’
Onl. skuwen ‘vermijden’ in so newillon ouch ich negheyn arbeyd ... scuwan ‘daarom wil ik ook geen ellende vermijden’ [ca. 1100; Will.]; mnl. sc(h)uwen, zuidoostelijk schiwen ‘vermijden, ontwijken’ [1240; Bern.], ‘bang zijn, vrezen’ in soe gaet scuuen ende vliet ‘ze wordt bang en vlucht’ [1287; VMNW]. Daarnaast ook wel mnl. sc(h)ouwen, vnnl. schouwen, een vorm die vooral in Holland voorkwam.
Oude afleiding van de wortel van het bn.schuw.
Mnd. schuen, schuwen (vanwaar nde./nzw./nno. sky); ohd. sciuhen (nhd. scheuen, daarnaast met afwijkende vorm en factitieve betekenis scheuchen ‘vrees inboezemen’); oe. scyhhan; nzw. skygga; alle ‘vermijden, vrezen’, < pgm. *skeuh(w)jan-. Een Frankische vorm *skiuhan is ontleend als Oudfrans eschiver ‘vermijden’ (via Italiaans schivare herontleend als Nieuwfrans esquiver ‘ontwijken, ontduiken’).
Zie ook → afschuw.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schuwen* [bang zijn, vermijden] {schuwen, schouwen, schauwen [schuw zijn, oppassen voor, vermijden] 1265-1270} middelnederduits schu(w)en, oudhoogduits skiuhen, oudengels scyhhan. Buiten het germ. oudkerkslavisch ščuti [opjagen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schuwen ww. dial. schouwen, mnl. scûwen, scouwen ‘schuw zijn, ontzien, mijden, afkeer hebben aan, ontkomen aan, verhinderen, (zelden) vrees inboezemenʼ, mnd. schūen, schūwen ‘schuw worden, vrezen, mijdenʼ, naast ohd. sciuhan ‘bang maken, bang zijnʼ (nhd. scheuchen), oe. scyhhan en met gramm. wiss. nzw. skygga ‘schuw wordenʼ. — Uit een frankisch *skiuhan ontstond ofra. eschiver ‘schuwen, mijdenʼ, prov. esquivar > ital. schivare > fra. esquiver.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schuwen ww., dial. schouwen, mnl. scûwen (scouwen) “bang, schuw zijn, zich hoeden, ontzien, mijden, een afkeer hebben van, ontkomen aan, verhinderen, (zelden) vrees inboezemen”. = ohd. sciuhen “bang maken, bang zijn” (nhd. scheuchen, scheuen; hiervan scheu “schuw”), mnd. schû(w)en “schuw worden, vreezen, mijden”, < *skiuχian. Vgl. ags. â-scyhhan “proicere, elongare”, zw. skygga “schuw worden”. Uit ’t Germ. it. schivare, fr. esquiver “vermijden”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schuwen ‘bang zijn, vermijden’ -> Deens skye ‘(verouderd) wild worden; bang zijn; niet absorberen; vermijden’; Noors sky ‘bang zijn, vermijden’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds sky ‘bang zijn, vermijden’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schuwen* bang zijn, vermijden 1100 [Willeram]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut