Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schuw - (vreesachtig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schuw bn. ‘vreesachtig’
Mnl. sc(h)u, sc(h)uw ‘vreesachtig, afkerig van contact met mensen’, veelal in de verbinding scu maken ‘verjagen, verdrijven’ in Ter ander tijt maectic v scu Dor ene mesdaet ‘op een ander moment zou ik u verjagen met een gewelddaad’ [1290-1310; MNW-R], dus maectise van u scu ‘zo jaagt u haar van u weg’ [1300-50; MNW-R], Dat rosside, dat mager es ende scu ‘het paard, dat mager en vreesachtig is’ [1300-50; MNW-R], Die veerman en was niet soe scu ‘de veerman was niet zo bang’ [1340-60; MNW-R], ghelijc den scuwen paerde ‘zoals het schuwe paard’ [1437; MNW-P]; vnnl. schuw, schouw ‘vreesachtig’ [1573; Thes.], Daerom ben ik schuw [1607; iWNT].
De gewone Middelnederlandse vorm is sc(h)u; de -w verschijnt alleen in de verbogen naamvallen. Pas in het Vroegnieuwnederlands wordt de -w ook in de nominatief geschreven.
Mnd. schūwe, schū (waaruit nde./nno. sky); schiech, schiehe (nhd. schiech ‘kwaad, lelijk’ met afwijkende betekenis o.i.v. schief ‘scheef, verkeerd’, scheu o.i.v. scheuen ‘vrezen’); nfri. skou, ook ‘losbandig, woest’; oe. scēoh (ne. shy); nzw. skygg; alle ‘vreesachtig’, < pgm. *skeuh(w)a-, met nultrap en grammatische wisseling*skug(w)a- (voor de Nederlandse vorm). Zie ook → schuwen.
Mogelijk verwant met: Proto-Slavisch *ščĭvati (1e pers. ev. ščujǫ) ‘opjagen’ (Russisch dial. ščuvát', Tsjechisch poštívat, štvát, Pools szczuć); < pie. *skeukw- (IEW 955).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schuw bnw. (naast deze westvl. vorm staat brab. holl. schouw en verder goerees schoewǝ, noord-bevel, schoef), mnl. scū, scou ‘schuw, afkerig, bangʼ, mnd. schūw(e) ‘schuw, bang, ongetemdʼ, vgl. nnoorw. dial. skygg. — De grondvorm zal dus zijn *skūhwa, *skŭgwa, waarnaast een *skeuhwa in mhd. schiech, oe. scēoh (ne. shy), waarmee men vergelijken kan osl. ščuti ‘opjagenʼ, van een idg. wt. *skeu-k(w), naast *skeubh, waarvoor zie: schuiven (IEW

955)

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schuw bnw., dial. ook schou(w) (o.a. Zaansch, Bommelerwaardsch, Antw.; Maastr. šouw) en schoewǝ (Goeree), schoef (Noord-Beveland), mnl. scû, scou “schuw, afkeerig, bang”, ook, zooals nog dial.: “ruw, woest”. In geen geval kunnen we van den grondvorm *skeuχa- uitgaan, waarop mhd. schiech, ags. scêoh (eng. shy) “schuw” teruggaan. Mnl. scû, scou = mnd. schûw(e) “schuw, bang, ongetemd”; grondvorm *skûχa-, -u-? of *sku(ʒ)wa-, -u-? Vgl. nog noorw. dial. skygg “schuw”. Wellicht met lett. schukt “schrikken, beven”, schaukůns “rilling” van een basis (s)ḱuq- of (s)ḱuq- “beven, angstig zijn”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schuw. Over mogelijk hierbij behorende woorden met eu-vocalisme zie † sjouw II Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schuw bijv., Mnl. scu + Ndd. schu, Zw. skygg; daarnevens met abl. en gramm. wechsel, Mhd. schiech, Ags. scéoh (Eng. shy): Ug. *sku(g)w- en *skeuh- (z. schuchter). Hgd. scheu is uit het ww. opgemaakt en De. sky komt uit Ndd. Van het denom. schuwen, het Fr. esquiver.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sjui (bn.) schuw; Vreugmiddelnederlands schu <1290-1310>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

sku: beskroomd, skugter; Ndl. schuw (Mnl. scu/scou, by vRieb schuw/schouw, schouwen en geschout, vgl. Kloe HGA 127-130 en 293), hou verb. m. Ndl. schuwen en afschuwelijk, ook m. Hd. scheu(en), maar blb. nie m. Eng. shy nie, hoewel NED wel verb. aanvaar; v. ook waarsku.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schuw ‘schuchter, verlegen’ -> Deens sky ‘schuchter, verlegen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors sky ‘verlegen, bang voor’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds skygg ‘bang voor’ (uit Nederlands of Nederduits); Papiaments skiu (ouder: skuw) ‘schuchter, verlegen’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut