Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schutten - (sluizen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schutten ww. ‘sluizen’
Mnl. sc(h)utten ‘bijeendrijven en insluiten’, vooral gezegd van loslopend vee dat schade aanricht, in de oudste vindplaats als scotten [1240; Bern.], iman die scutte op wouters ‘iemand die (vee) bijeendreef op Wouters grondgebied’ [1271-72; VMNW], daarnaast ook algemener ‘tegenhouden, belemmeren’ in Om alle twist te scutten hyrnamaels ‘om alle onenigheid vanaf nu te vermijden’ [1241; MNW], Dat die mane ... scut der sonnen scijn ‘dat de maan het zonlicht belemmert (bij een zonsverduistering)’ [1340-60; MNW-R], ‘afdammen van water’ in Omme ... te moghen scutten twater van der zee ‘om het water van de zee te kunnen tegenhouden’ [1407-32; MNW], i.h.b. met schotten in een sluis, in Nyemant en moet scutten duer der stede spoye ‘niemand mag de schotten bedienen van de stadssluis’ [1413; MNW]; vnnl. ook onovergankelijk in: schutten door de voorsz. Sluys ‘varen door de genoemde sluis’ [1645; iWNT].
Uit de Middelnederlandse betekenissen van schutten en → schot 1 ‘houten afscheiding’ blijkt duidelijk dat deze woorden met elkaar samenhangen. Mogelijk is schutten een afleiding met umlaut, maar in dat geval is schot in deze betekenis moeilijk te verklaren. Men neemt meestal aan dat schutten een intensiefvorming is bij → schieten, zoals bijv. ook → bukken bij → buigen. Als de oorspr. betekenis van schutten ‘vergrendelen’ is, kan men denken aan een snel vooruitschietende grendel. Schot is dan een afleiding, die zich qua vorm heeft aangesloten bij → schot 2.
Mnd. schütten ‘afdammen; (vee of personen) opsluiten’; mhd. schützen ‘afdammen; belemmeren’ (nhd. schützen ‘beschermen, beschutten’); ofri. sketta ‘opsluiten, schutten (vee)’ (nfri. skette ‘afschutten’); oe. scyttan ‘id.’ (ne. shut); < pgm. *skutjan-, wellicht als intensiefvorming bij *skeutan- ‘schieten’. Men overweegt daarnaast verband met mhd. schüt(t)en in de betekenis ‘aanslibben, ophopen’ (Pfeifer en Kluge; nhd. schütten ‘gieten, (aarde) storten’, oorspr. ‘schudden’); hierin gaat de -t(t)- echter terug op pgm. *-dd-, zie → schudden, en dus lijkt zo'n verband voor het Engels (oe. scūdan) en het Nederlands onaannemelijk. Er kan wel betekenisbeïnvloeding zijn opgetreden, zie → beschutten.
De betekenis ‘tegenhouden, belemmeren’ is verouderd en overgenomen door de afleiding → beschutten, dat zelf vervolgens al vroeg een betekenisuitbreiding naar ‘beschermen’ onderging, zoals ook Hoogduits schützen.
schutting zn. ‘houten afscheiding’. Mnl. sc(h)uttinghe ‘het opsluiten van loslopend vee; het zodanig opgesloten vee’ in Die niet en wille lossen sijne scuttinghe ‘wie het door hem opgesloten vee niet wil loslaten’ [ca. 1257; MNW-B], ‘afdamming, waterkering’ in alle indike ende waterscuttinghe ‘alle binnendijken en waterkeringen’ [1319; MNW], ‘afscheiding van een stuk grond’ in Waer luyde zijn die scuttinge begheren butens huys [1464; MNW]; vnnl. over de schutting klimmen [1617; iWNT]. Afleiding met het achtervoegsel → -ing van schutten in de diverse Middelnederlandse betekenissen. In het Nieuwnederlands is alleen de betekenis ‘afscheiding van een stuk grond’ nog algemeen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schutten* [tegenhouden, sluizen] {scutten, scotten [tegenhouden, beschermen, sluizen] 1240} middelnederduits schutten, middelhoogduits schützen, oudengels scyttan [afsluiten]; van schot1 [afsluiting].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schutten ww., mnl. scutten ‘in een besloten ruimte brengen, afscheiden, tegenhouden, belemmeren, schutten (in een schutsluis)ʼ, mnd. schutten ‘idʼ, mhd. nhd. schützen ‘bedijken, beschermenʼ, ofri. sketta ‘insluiten, stelpenʼ, oe. scyttan ‘grendelenʼ. — Het ww. is een afl. van schot ‘afsluitingʼ, vgl. ook oe. scyttel m. ‘bout, grendelʼ. — Zie verder: schieten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schutten ww., mnl. scutten “in een besloten ruimte brengen, afscheiden, tegenhouden, afweren, belemmeren, schutten (in een schutsluis)” = mnd. schutten “id.”, mhd. (nhd.) schützen “bedijken, beschermen” (waarbij mhd. schuz m. “bedijking, bescherming”, nhd. schutz), ofri. sketta “insluiten, stelpen”, ags. scyttan “grendelen, sluiten”, waarbij scyttel m. “bout, grendel”, scyttels m. “id.”. Evenals noorw. skota “grendel” bij schieten; voor de ontwikkeling der bet. “grendelen, door iets voorgeschovens (be)schutten” vgl. ags. belûcað ða æ̂renan gatu and tôforan on scêotað ða ŷsenan scyttelsas “zij sluiten de metalen poorten en schieten (schuiven) er de ijzeren bouten voor”. Het mnl. ww. scudden “beschermen”, bijna uitsluitend in be-scudden “bewaren, beschermen, beveiligen, beletten” = mnd. be-schudden, mhd. be-schüten “id.”, kan wegens zijn consonantisme niet met schutten verwant zijn, de bet. laat geen identificeering met schudden toe; ’t komt wsch. van de bij huid besproken basis voor “bedekken”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schutten o.w., Mnl. scutten + Mhd. schützen (Nhd. id.), Ags. scyttan (Eng. to shut): intens. van schieten (vergel. bukken, buigen); de bet. is: een beschot maken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

3skut ww.
Beskerm, afweer, beskut.
Uit Ndl. schutten (Mnl. scutten).
D. schützen (14de eeu).

5skut ww.
In 'n skut (4skut) plaas.
Uit Ndl. schutten (Mnl. scutten). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schutten (beschutten) van den Germ. wt. skud = schudden. Door de schuddende beweging van ’t water worden allerlei stoffen meegevoerd en eindelijk op den oever neergelegd; hier vormen zij min of meer een dam, evenals de moraines bij de gletschers. (Denk ook aan onze rivierduinen.) Zulk een aangespoelde dam heette in het Mhd. Schutt, d.i. het aangeschudde, aangespoelde; ook het land door zulk een dam beschermd heette Schütt (bij ons „waard”), vgl. ’t eiland Groot- en Klein-Schütt in de Donau. Een oeverland schutten, beschutten, was dus eig. het land met een dam, dijk afsluiten en daardoor het land tegen overstrooming beveiligen, beschermen. Zoo kreeg schut bij ons de bet. van afwering, een sluisdeur, een scherm, en schutten of beschutten kreeg de meer algemeene bet. van beschermen, beveiligen. – In ’t Mnl. ook beschudden (dus de oorspr. vorm van schudden), vgl.: „(Dat gebood God hem), om te bescuddene sine doet” = om hem voor zijn dood te beschutten. – Schuts („in schuts van den heerbijl, krijgshaftig gezwaaid”) is een vertaling van ’t Hgd. Schutz; samenstellingen: schutsvrouw, schutsmuur, enz.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schutten ‘tegenhouden’ -> Papiaments † schut ‘tegenhouden van vee’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schutten* tegenhouden 1240 [Slicher 136]

schutten* sluizen 1477-1485 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut