Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schurken - ((zich) wrijven)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schurken ww. ‘(zich) wrijven’
Vnnl. schurken ‘de schouders samentrekken, ineenkrimpen, ineenhurken’ in Ick sweeten doe en schurcken De Sarasynen fel ‘ik laat de boosaardige Saracenen zweten en ineenkrimpen (van angst)’ [1610-19; WNT], ‘zich schuren in zijn kleding, (zich) wrijven, krabben’ in Teeuwen schurckt, en vrijfft zijn handen [1623; WNT].
Herkomst onzeker. Gewestelijk is schurk ‘wrijfpaal voor het vee’ bekend, dat net als schurken van voor-Indo-Europese oorsprong kan zijn. Mogelijk afgeleid van schuren ‘(drukkend) wrijven’, zie → schuren. Voorts Noors skurka ‘een schurend geluid maken’, IJslands skurka ‘lawaai maken’, maar directe ontlening daaraan lijkt onwaarschijnlijk.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schurken [(zich) wrijven] {1623} afgeleid van schuren.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schurken ww. ‘zich schuren in zijn klerenʼ komt eerst laat voor, maar beantwoordt aan on. skurka ‘krabbenʼ, vgl. nijsl. skurka ‘lawaai makenʼ, nnoorw. skurka ‘een krassend geluid makenʼ. — Schurken is van schuren afgeleid, op dezelfde manier als hurken.

Schurken betekent ook ‘hurkenʼ en is in deze bet. nauwelijks hetzelfde woord. Het ziet er uit als een vorm van hurken met s- prothese, maar de herkomst van deze woorden is duister.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schurken ww. (nog niet mnd., mnl. of bij Kil.), een jonge afl. van schuren, van ’t zelfde type als hurken.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schurk. Het ww. schurken al in de 17e eeuw, ook in de bet. ‘ineenhurken’, waarbij wellicht invloed van hurken is aan te nemen.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schurk, eig. schurkpaal, d.i. de paal, waartegen de dieren in de weide zich schurken (versterking van schuren, wrijven), ons hedendaagsch „wrijfpaal”. Bij overdracht: een verachtelijk mensch.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schurken (zich) wrijven 1623 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut