Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schurk - (boef)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schurk zn. ‘boef’
Vnnl. schurk ‘boef’ in Wel stinkbok, vuilbaard, yzegrim, schuddeból, asbeer, schurk [1670; WNT Supp. aschbeer].
Ontleend aan Duits Schurke ‘boef’ [15e eeuw; Kluge]. Verdere herkomst onzeker, maar het woord gaat wrsch. terug op een nomen agentis bij het Oudhoogduitse werkwoord scurgen ‘stoten, storten’ (Middelhoogduits schurgen ook ‘opdrijven, verleiden e.d.’).
Ohd. scurgen hoort wrsch. bij scurien ‘aanwakkeren, opporren (van vuur)’ (nhd. schüren ‘id.’), waarbij ook een met nhd. Schurke vergelijkbare afleiding ohd. fiurscurio ‘hij die het (helle)vuur aanmaakt, duivel’ hoort. Uit andere Germaanse talen horen hierbij: oe. scorian ‘wegstoten’; on. skora ‘snijden, vaststellen, roepen’ (zie → score); < pgm. *skur-.
Van deze pgm.-wortel is de etymologie eveneens onzeker. Men denkt aan ablautende verwantschap met de wortel *sker- van → scheren 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schurk [boef] {1701} < hoogduits Schurke, nederduits Schurke, oudhoogduits fiurscurgo, van fiur [vuur (bedoeld is het helse vuur)] + scurgo, hij die zich bezighoudt met oudhoogduits scurigen [stoten, vuur aanmaken], middelhoogduits schürgen, hoogduits schüren [(aan)stoken, aanblazen], oudhoogduits scora [schop, schep], oudengels scorian [wegstoten], oudnoors skora [bepalen, eisen] (vgl. score), gotisch winþiskauro [grote korenschop]; buiten het germ. mogelijk, maar omstreden grieks skuros [steenslag]. Mogelijk is er ook verband met schurk in de betekenis ‘wrijfpaal’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schurk znw. m., eerst na Kiliaen < nhd. schurke, nnd. schurke, schurk (> nde. nzw. skurk). Het nhd. woord is eerst sedert 1663 overgeleverd, maar stellig wel ouder, vgl. ohd. fiur-scurgo ‘de duivel als de opstoker van het hellevuurʼ; dit hoort bij het ww. mhd. schürgen, schurgen, md. schurn (nhd. schüren) ‘het vuur oppokenʼ, eig. ‘een stoot gevenʼ, vgl. ohd. scurigen ‘stotenʼ en verder oe. scorian ‘wegstotenʼ, on. skora ‘snijden; vaststellen, roepenʼ, nnoorw. skora, nzw. skara ‘insnijdingen makenʼ, vgl. verder gr. skũros ‘afval bij het steenbikkenʼ, lit. skiaurẽ ‘boot met gaten om vissen te bewarenʼ, kiaúras ‘met gatenʼ, lett. skurināt ‘krabbenʼ (IEW 954); zie ook: schuren.

Intussen is er ook een woord schurk ‘wrijfpaal voor het veeʼ bij het ww. schurken. De overgang tot de naam van een persoon tonen ook on. skurkr ‘magere manʼ, nnoorw. skurk ‘schurkʼ. De mogelijkheid dat het nl. woord schurk ten dele ook van inheemse herkomst kan zijn, is dus in overweging te nemen. — W. de Vries Ts 33, 1914, 147 betwijfelt de overname uit het hd. en verbindt het woord met onfrank. scurgi ‘auerteʼ, giscurgidi ‘expulsiʼ, waarbij hij aanneemt overgang van g > k na liquida.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schurk znw., nog niet bij Kil. = nhd. schurke m., ndd. schurk(e) > de. zw. skurk “schurk”. Misschien uit ohd. fir-scurgo m. “schurk”, dat bij fir-scurigen “verstooten” hoort; ndl.-ndd. schurk komt dan uit ’t Hd. Evengoed mogelijk is ’t echter, dat schurk een ospr. ndl.-ndd. woord is met de oudere bet. “wrijfpaal” (vgl. voor de bet.-ontwîkkeling schoelje, bengel), gevormd van ’t ww. schurken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schurk 2 m. (schelm), + Ohd. scurgo (Nhd. schurke), Zw. en De. skurk: overdracht van schurk 1. Uit het Germ. komt Fr. escroc.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

schurk spelen (speelde, heeft gespeeld), vals spelen. Klaar klaar staan! Spel gaat mis toch! Anderen ruiken: Hij speelt schurk! (Cairo 1978b: 180). - Etym.: AN schurk = boef i.h.a., ook in de bet. van ’bedrieger’. Zie ook spelen* (III). - Zie ook: schurkspel*.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

schurk: gewetenloze vent; gemene kerel. Sedert ca. 1701. Ontleend aan het Duits (Schurke). Een verband met ‘wrijfpaal’ (paal waaraan de beesten in de weide zich kunnen wrijven volgens Van Dale), vroeger ook schurk genoemd, valt niet uit te sluiten.

Hoe, wat hamer! Denk je dat ik een schurk, of denk je dat ik razende dol ben? (Betje Wolff en Aagje Deken, Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart, 1782)
Omgekocht!! Zeg schurk, ellendeling, laffeling … omgekocht… (Louis Couperus, Noodlot, 1891)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

schurk (Duits Schurke)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schurk, eig. schurkpaal, d.i. de paal, waartegen de dieren in de weide zich schurken (versterking van schuren, wrijven), ons hedendaagsch „wrijfpaal”. Bij overdracht: een verachtelijk mensch.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schurk ‘boef’ -> Deens skurk ‘boef, schoft’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors skurk ‘boef, schoft’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds skurk ‘boef’ (uit Nederlands of Nederduits); Ambons-Maleis skŏrok (iskŏrok, iskŏrak) ‘boef’; Berbice-Nederlands skorku ‘boef; ondeugend’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schurk boef 1701 [Toll.] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut