Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schuren - (drukkend wrijven)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schuren ww. ‘drukkend wrijven’
Mnl. scuren ‘drukkend wrijven, poetsen, polijsten’ in nemmermeer ne scurment so clar ‘nooit schuurt men het zo helder’ [1287; VMNW], so salment schueren ende dwaent mit water ‘dan moet men het polijsten en reinigen met water’ [1425; MNW], schuyren “reyn maken” [1477; Teuth.].
Ontleend aan Oudfrans escurer ‘geheel reinigen, schoonkrabben’ [ca. 1223; Rey] (Nieuwfrans écurer ‘schoonmaken, schuren’), net als récurer ‘schuren, schoonmaken’ afgeleid van het ww. curer ‘reinigen’ [1080; Rey], ontwikkeld uit Latijn cūrāre ‘verzorgen’, afgeleid van het zn. cūra ‘zorg’, zie → kuur 1 en → cureren.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schuren [drukkend wrijven] {1287} < middeleeuws latijn excurare, escurare, scurare, scurere [schoonmaken] (vgl. frans écurer, engels to scour), van ex [uit, geheel en al] + curare [verzorgen], van cura [zorg]. Er wordt ook gedacht aan germ. herkomst, waarbij woorden als schuiven worden vergeleken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schuren ww. mnl. scûren, mnd. schūren, mhd. schiuren, schūren (nhd. scheuern); uit nl. komt me. scouren (± 1300), uit nd. > nde. skure, nzw. skura. — Men neemt aan dat het woord over het nnl. ontleend is < ofra. escurer (nfra. écurer) < vulg. lat. *excurāre ‘schurenʼ.

De algemene verbreiding van het woord (ook in het noordgerm.) is niet gunstig voor de hypothese der ontlening. Als inheems woord beschouwt het Pokorny IEW 954; hij verbindt het met ohd. scora, got. skauro ‘schop, schoffelʼ, mhd. schürn ‘aansporen, het vuur aanwakkerenʼ en verder met oi. skāuti, skunōti ‘snijden, scheiden, krabbenʼ, gr. skũros ‘steensplinterʼ, lit. skiaurė̃ ‘doorboorde boot als viskaar gebruiktʼ (twijfelachtig).
Ook W. de Vries Ts. 40, 1921, 94-95 verwerpt ontlening uit het fra. daar schurken veeleer op een germ. woordgroep wijst.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schuren ww., mnl. scûren. = mhd. (md.) schiuren, schûren (nhd. scheuern), mnd. schûren “schuren, vegen”. Gew. evenals eng. to scour “id.” afgeleid uit ofr. escurer (fr. écurer, lat. *ex-cûrâre) “id.”. Die afl. is de aannemelijkste. De combinatie met schoor en hoogerop met gr. skũros “afval bij ’t steenhouwen”, al welke woorden van een basis sḱu- of squ- “wrijven” zouden komen, is weinig aannemelijk. Veeleer komt skũros met lat. secûris, obg. sekyra “bijl” van een basis seqū̆- “snijden, hakken”, waarvan ook wellicht schuin en schuit en lit. skutù, skùsti “schaven, scheren” (met formans t). Deze basis is hoogerop met die van zaag verwant. De vorm schuieren, sedert de 16. eeuw, is blijkens ’t vocalisme uit het Du. ontleend.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schuren. Het uit het Fr. ontleende woord (schurken — W.de Vries Tschr. 40, 94 — is geen argument tegen ontlening) schijnt via het Ndl. in het Md. en Ndd. gekomen te zijn; ook eng. to scour is in eerste instantie uit het Ndl. ontleend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schuren o.w., Mnl. scuren + Hgd. scheuern, Eng. to scour, Zw. skura, De. skure: waarschijnlijk uit Ofra. escurer (Fr. écurer), Lat. excurare = zuiveren (ex = uit, voluit; — curare: z. kuur.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sjore (ww.) schuren; Vreugmiddelnederlands scuren <1287>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

schuren (schuurde, heeft geschuurd), (ook:) 1. (onoverg.), zich tegen elkaar drukken enz., vrijen met kleren aan. Want die bescheiden liefdesvogeltjes [schoolmeisjes] bleven alleen thuis of schuurden enkel op een klassefeestje (Cairo 1977: 114). - 2. (onoverg.), lesbische liefde bedrijven. Sommige [Surinamers] gaan [naar Nederland] om te boelen* of te schuren! (Cairo 1980a: 10). - 3. (overg.), zich drukken tegen enz., vrijen met (zie bet. 1). Laatst op die fuif* van Piekko, ik was zo gek om met hem te gaan dansen, wel, hij pette me zo, ik zeg hij schuurde me zo, ik kon dat alles voelen (Rappa 1980: 104). - Etym.: Het WNT (1936) geeft één cit. waarin s. een erotische bet. heeft: ’De Vryers, die alleen willen zijn, om in ’t heymelijk wat te schuuren, Die konnen een Kaamertje om een Rijxdaalder huuren’ (Fockens 1657). - Samenst. van 1: schuurplaat*; van 2 schuurmeid*.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

schuren ‘vrijen met kleren aan’ (Surinaams-Nederlands schuren)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schuren, waarschijnlijk van ’t M.-Lat. scurare (uit ’t Lat. excurare = ex-curare = tot het einde toe verzorgen) = vegen, reinigen, schoonmaken.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schuren ‘drukkend wrijven’ -> Engels scour ‘poetsen, schrobben; reinigen, wassen; schoonspoelen; (de vijand) verdrijven; enfileren; verwijderen’; Duits scheuern ‘(met borstel en zand) reinigen; schrobben’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens skure ‘drukkend wrijven’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors skure ‘drukkend wrijven’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch sekir ‘drukkend wrijven’; Negerhollands skur ‘drukkend wrijven’; Berbice-Nederlands skiri ‘drukkend wrijven’; Papiaments skür ‘drukkend wrijven’; Sranantongo skuru ‘schrobben’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schuren drukkend wrijven 1287 [CG NatBl] <ME Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1556. Het is den Moriaan gewasschen (of geschuurd),

d.i. vergeefsche moeite gedaan, hetzelfde alsof men een Moriaan zou willen blank wasschen of schuren. Dat dit gezegde in de middeleeuwen (± 1400) bekend is geweest, blijkt uit de Tafel van den kersten ghelove van Dirc van Delf, fol. 125 c: Of mit ghewoenten daer in bliven, als die moerman in sinen swarten velle, hoe veel dat men oec wascht Tijdschr. XXII, 19 en vgl. Jerem. XIII, 23). In de 17de eeuw was de zegswijze naast den Moor wasschen, zeepen of den Moorman zeepen, vrij gewoon; zie Westerbaen II, 457:

 So ick my suyver en myn pad soeck schoon te maecken
 En my 't onschuldigen schuyr ick de mooriaen
 En doe vergeefse moeyt'.

Vgl. verder Huygens, Kost. Mal 223; Sewel, 190: Hooi dorschen, den moriaan schuuren, to trash hay, to do a fruitless work; Halma, 361; C. Wildsch. V, 269; Harrebomée II, 102 a en III, 298-299; Ndl. Wdb. IX, 1101; 1144; Joos, 98; De Bo, 711 b: den Moor wasschen; en vgl. het gri. πλινθονς πλυνειν; lat. laterem (tichelsteen) lavare (vgl. eene brik wasschen; De Brune, 212); syn. den kassijsteen knedenNdl. Wdb. VII, 1737.; Aethiopem albare (Wander III, 993); fr. à laver la tête d'un Maure on y perd sa lessivel. on perd sa lessive.; eng. to wash a blackamoor (or an Ethiopian) white. Syn. was in de 17de eeuw: water dorschen (o.a. Vierl. bl. 252; vgl. fr. battre l'eau).

1810. Zijne (of de) piek schuren,

d.i. vluchten, deserteeren; syn. zijn kwast schuren (Spaan, 61; 162; Ndl. Wdb. VIII, 723H. Beckering Vinckers denkt hier aan de beteekenis ‘penis’, die kwast en piek nog hebben. Hij meent, dat de oorspr. beteekenis is geweest: coire, daarna de breede baan opgaan, er vandoor gaan, en vergelijkt krassen en opkrassen met krassen, treden van een haan (zie Tijdschrift XXXIX, 152).; vgl. Gew. Weeuw. III, 27: Zy schuerden haer piek, en veranderden van quartier; Paffenrode, 100; Spaan, 165; Halma, 503: Zijne piek schuuren, se tirer le nerf, gagner au pied; Sewel, 637: Zyn piek schuuren en doorgaan, to take to one's heels, to run away; Tuinman, I, 284; V. Janus, 169; Harrebomée II, 180; Schoolm. 46; 67; 188; 254; Zondagsblad v. Het Volk, 1905, p. 195: Prins Willem schuurde zijn piek, en Holland is nu de Bataafsche republiek; Het Volk, 15 Juni 1914, p. 1 k. 2; Ndl. Wdb. XII, 1522; enz. Eig. gezegd van een soldaat, die onder voorwendsel van zijne piek te moeten schuren zich verwijdert en niet terugkeert. Zie no. 1833 en vgl. het 17de-eeuwsche synonieme de viddels schuren (V. Moerk. 473Viddel, cunnus., eig. de baan opgaan, achter de vrouwen aan? (zie Tijdschrift XXXIX, 152), de poort, zijn gat schuren. In de Duytsce Lier, 70 en Boerekrakeel, 8 komt het wkw. schuren voor in den zin van ‘de piek schuren’; vgl. hij poetstem, hij smeertem; hd. auskratzen. In Zuid-Nederland onbekend.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut