Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schuit - (vaartuig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schuit zn. ‘vaartuig’
Onl. skūta ‘bepaald type vaartuig’, gelatiniseerd in scuta absque bort ‘een schuit zonder boord’ [1159-64; ONW], de naue que uocatur scuta ‘betreffende een schip dat schuit genoemd wordt’ [1163; ONW]; mnl. sc(h)ute ‘vaartuig voor de binnenvaart’ in lichten vten spiscepe in scuten ‘lichten uit het bevoorradingsschip in (de) schuiten’ [1286; VMNW], schuyt [1420; MNW].
Herkomst onzeker. Oorspronkelijk uitsluitend een Noordzee-Germaans woord, waarvan men meestal veronderstelt dat het samenhangt met de wortel van → schieten. De schuiten zouden zo genoemd zijn vanwege hun zeilsnelheid (NEW, Toll.; bij diezelfde wortel ook oe. scēot en on. skjótr ‘snel’). Schuiten waren van oudsher meestal kleine vrachtschepen voor de binnenvaart, maar in het Hanzegebied ook wel grotere schepen voor de Oostzeevaart.
Mnd. schute ‘licht kust- of binnenvaartschip’ [1262; Kluge21]; ofri. skūte ‘id.’ (nfri. skûte); on. skúta ‘id.’ (nzw. skuta). Me. scowt, s(c)houte ‘kleine rivierboot’ (ne. vero. scout, dial. shout) is wrsch. ontleend aan het Middelnederlands (OED) en nhd. Schute ‘bakschuit’ aan het Middelnederduits. Oudiers scūta ‘vaartuig’ is al vroeg ontleend aan het Oudnoords.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schuit* [vaartuig] {schute 1286} middelnederduits schute, oudnoors skúta, iers scuta; de etymologie is onzeker, maar verband met schieten is mogelijk.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schuit znw., mnl. scûte v., mnd. schūte, on. skūta ‘lichte zeilbootʼ (hieruit ouder-ne. skūte, ne. scout en oiers scūta). De verhouding tussen het ngerm. en westgerm. woord is moeilijk te beoordelen: wij zullen wel mogen denken aan een Noordzeewoord, maar indien het van de ene taal in de andere ontleend is, blijft het moeilijk de richting der ontlening te bepalen. Het ngerm. woord is blijkens de overname in het iers reeds oud en dat maakt ontl. uit het mnd. niet waarschijnlijk. — Wat de bet. aangaat, mag men wel denken aan een snelzeilend vaartuig en dus verband met schieten aannemen, ofschoon het ook voor vrij grote schepen gebruikt werd (vgl. Ohlmarks, Gravskeppet 1946, 172-173). — De poging van FW 604 deze scheepsnaam te verbinden met mnd. schute ‘spadeʼ en dus uit te gaan van een ‘uitgehakt vaartuigʼ is niet aannemelijk, vooral omdat van een primitief gemaakte uitgeholde boomstam hier nauwelijks sprake kan zijn. — Behoort het woord misschien toch tot een substraattaal? — Uit mnl. scûte stamt fra. escute, scute (sedert 1262 bekend; de eerste vorm tot in de 16de eeuw, de tweede tot in de 18de eeuw in gebruik, zie Valkhoff 127). Mogelijk ontleend > me. skoute (1326), ne. scout (vgl. Toll 63).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schuit znw., mnl. scûte v. = mnd. schûte, on. skûta v., benamingen van verschillende soorten schuiten en schepen. Misschien ablautend met ags. scêot, on. skjôtr “snel” en bij schieten hoorend. Als er een goede combinatie hoogerop te vinden was, zou ’t meer voor de hand liggen, schuit en mnd. schûte v. “spa, schop” van een basis squd- of sḱud- “hakken, houwen” of “schaven, uithollen” af te leiden: voor de bet. vgl. bij schip; zie schuin.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schuit. Onderlinge ontlening van de scand. en ndl.-ndd. woorden is waarschijnlijk; waar het woord ospr. thuis heeft behoord, is echter niet uit te maken. Hd. schute, schüte v. uit het Ndd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schuit v., uit Skand. (On.) skúta, van denz. stam als ʼt meerv. imp. van schieten. Eng. skute eveneens uit het Skand.; Hgd. schüte uit het Ndl.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schuit ‘vaartuig’ -> Engels schuit ‘Nederlandse platboomde rivierboot’; Engels scout ‘platboomd vaartuig’; Engels † shout ‘platboomd vaartuig’; Duits Schute ‘schip’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens skøjte ‘vaartuig’;? Deens skude ‘oud of beschadigd schip; onzekere zaak of project; dikke vrouw; grote portie eten’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors skøyte ‘vaartuig’; Zweeds skuta ‘vaartuig’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds dialect sköjt ‘vaartuig’; Fins † kuuto ‘kleine boot’ ; Frans † scute ‘kleine bark; platboomd vissersboot’; Tsjechisch škuta ‘vaartuig’ (uit Nederlands of Nederduits); Kroatisch skeut ‘Belgische visserboot’; Russisch škot ‘platte vrachtboot op een rivier’; Oekraïens škot ‘platte vrachtboot op een rivier’ ; Keiëes skut ‘schuitje van Europees model’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schuit* vaartuig 1163 [Taal en Tongval 12, 1999, 35ff]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2039. In iemands schuitje komen (of varen),

d.w.z. het met iemand eens worden; eig. met hem gaan varen, zijne partij kiezen; in zijn vaarwater komen (De Arbeid, 10 April 1915, p. 1 k. 2); mnl. in enes pander (korf) comen. In een (of dezelfde) schuit zitten of zijn, in denzelfden toestand verkeeren, het met iemand eens zijn; eng. to be (or row) in the same boat or embarked in the same boat or embarked in the same bottom with. Vgl. Winschooten, 241: Wij sijn in een schuit, wij hebben geen verschil; W.D. Hooft, Jan Saly (1622), 6 v: Wy komen daer mee ghelijck in ien schuyt; Plaiz. Kijv. 10: met iemand in éen schuit zyn, met iemand in denzelfden toestand verkeeren; De Brune, 24: Hy vaert met ons in 't zelve schip; Halma, 578: Wij vaaren in eene schuit, wij zijn van éen verstand, wij hebben het zelve belang, nous sommes d'accord, nous avons la même pensée ou le même intérêt; Sewel, 715; Van Effen, Spect. IX, 151: Ik beken, dat ik hier eenigermate met myne Medemakkers in de zelfde schuit ben; C. Wildsch. I, 63: Gij komt tog altoos bij slot van rekening nog al in mijn schuitje; Handelsblad, 26 Maart 1915, p. 6 k. 4 (avondbl.): Is het dan niet verkeerd, dat de Regeering zich thans begeeft in het schuitje van partijen, die zoo lichtvaardig denken over de gemoedsbezwaren van hun tegenstanders?; Nkr. IX, 30 Jan. p. 4: Heb dank, gij, man van het Handelsblad, dat ge meevaren komt in mijn schuitje; Molema, 366 b: zij komen mit 'n kander in ijn schip (Tuinman I, 141; Harreb. II, 252 a). In het Bredaasch: hij zal nog wel in mijn straatje komen (Hoeufft, 584). Vgl. ook de uitdr. iemand in (of op) zijn boot krijgen, iemand tot zijne belangen of zijne denkwijze overhalen; met iemand in één boot varen (in Kippev. I, 305: U meent dus dat u met Paulus in één boot kunt varen, baron? vroeg de borstelmaker).

2040. In het schuitje zijn (of zitten),

d.w.z. in eene zaak ingewikkeld zijn, welker bestuur men aan anderen overlaat, en overlaten moet (Weiland); zich met eene zaak ingelaten hebben, waaraan men zich niet meer kan onttrekken; vgl. die in het schuitje (of scheepje) zit, moet meevaren of moet er mee over, o.a. bij Van Effen, Spect. IX, 151; Harreb. II, 262; Nkr. VII, 19 Juli p. 2; Kalv. I, 67; Nest, 52: Maar ik zit nu eenmaal in het schuitje en men moet roeien met de riemen die men heeft; vgl. no. 1725 en Antw. Idiot. 1331: die in 't schipken is, moet veren, die gescheept is, moet varen; Waasch Idiot. 572 a: nu gij scheep zijt, moet gij veren; fr. qui s'est embarqué doit achever; fri. ik sit yn 't skipke en ik moat meifarre, ik moet de gevolgen er van dragen; vgl. mnl. ic ben in gewat dus moet ic waden over.

2423. Een vlag op een modderschuit,

d.i. iets, dat in het geheel niet bij elkander past, iets moois op iets leelijks; in den regel gebruikt van kwalijk voegenden opschik. Vgl. het mnl. met samite (fluweel) mes (mest) cleeden; Marnix, Byenc. 145 r: dat past als een sijden huyve op een verckens hooft; Winschooten, 336: Dat pronkt, als een vlag op een vullis schuit (te weeten pronkt), het welk een manier van spreeken is, als men met iemand wil spotten, die soodaanig gekleed is, dat het een naa het ander niet en gelijkt; Sewel, 896; Tuinman I, 368; Gew. Weuw. III, 60: Dat zal staan als een zye vlag op een Strontschuit (dat zal er leelijk beginnen uit te zien); Sart. I, 1, 25: een gouden deur aen een verkens kot; in den Bijbel Spr. XI, 22: eene schoone vrouw die van reden afwijckt, is een gouden bagge (ring) in een verckens snuyteHarreb. I, 252; Zeeman, 424.; Het spoockend Weeuwtje, 49 (anno 1713): gelyk een' zyde vlag staat op een vullisschuit; Halma, 252: dat staat als een kakhuis over het water; Tuinman I, 256: de koe heeft een fluweele huif op (vgl. R. Visscher, Sinnep. 172 a: de koe een gouden huif opsetten); Kluchtspel III, 307: dat steekt af als een Princevlag op een vullisschuit; Harreb. I, 375 a: dat staat als een kornetje op een kalfskop; Molema, 272 b: dat past as 'n oranjevlag op 'n miswoagen; 148 b: het lijkt (voegt, past, staat) als een himphamp op een mosterdmolen, als een klink op een kraaiennest; fri.: dat is in baerch (varken) mei in gouden earizer; dat parearret (pareert) as in flagge op 'e dongskûte (dongwein, modderpream, strontpraem).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut