Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schuin - (scheef)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schuin bn. ‘scheef’
Vnnl. schuyn ‘scheef’ (met de indicatie “Hollands”) [1599; Kil.], Camers ..., hebbende van binnen een schuins Dack rontom [1602; iWNT schuinsch], Sen hoedt ... sat hem ... Wat scheefjes en wat schuyn [1610-19; iWNT kuin]; nnl. schuin, overdrachtelijk ook ‘zonder moraal, onzedelijk, onkies’ in 't is dan ook in Mexico een schuine boel [1863; iWNT], schuine moppen [1905; iWNT].
Herkomst onduidelijk.
Gronings schuun, nnd. schün; nfri. skean; alle ‘schuin’. Daarnaast: nno. dial. skøyna ‘schuin afsnijden’, nno. skeina ‘zich scheef voortbewegen’, nfri. skane ‘met de benen wijd uiteen staan’. De Groningse en Nederduitse vormen wijzen op pgm. *skeuni-, en ook Nederlands schuin kan hierop teruggaan. De Friese vormen wijzen op Oudfries skān < pgm. *skauna-. De Noorse vormen kunnen op pgm. *skainjan- teruggaan. Vroegnieuwnederlandse nevenspellingen met -euy- [1634; iWNT scheluw], en -eu- [1645; iWNT schuinsch] zijn aanwijzingen dat de -ui- een oorspronkelijke diftong kan zijn, de zogenaamde ui2 als in → buitelen; het Nederlandse woord gaat dan terug op pgm. *skjina. Heeroma (1951) wil deze klank in schuin, dat oorspr. alleen Hollands is, verklaren als anomale substitutie van Noordzee-Germaans *-ā- bij de overgang op het Frankische klanksysteem, en stelt het woord zo gelijk aan Fries skean. Verwantschap met → schoon 1 < pgm. *skau-ni-, dat hoort bij de wortel *skau- van → schouwen, is onwaarschijnlijk vanwege het betekenisverschil.
Er zijn verder, zowel binnen als buiten het Germaans, geen aanknopingspunten. Opvallend is de betekenisovereenkomst met pgm. *skaifa/-ba-, zie → scheef, *skanka- ‘scheef’, zie → schenkel, en *skel- ‘scheef’, zie → scheel, die alle met dezelfde klank *sk- beginnen, evenals enkele Noord-Germaanse woorden met sk- en een vergelijkbare betekenis. NEW verklaart al deze woorden uit een wortel voor ‘snijden’, maar de gelijkenis kan ook op toeval berusten.
Lit.: K. Heeroma (1951), ‘Ontspoorde frankiseringen’, in: TNTL 68, 82-96, hier 87-88

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schuin* [scheef] {schuyn 1599} nederduits schün, noors dial. skøyno [schuin afsnijden]; vermoedelijk van een stam met de betekenis ‘hakken, snijden’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schuin [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie Ts 85, 242 [1969].

schuin bnw., sedert Kiliaen (1642!) schuyn ‘transversus, obliquusʼ, nnd. schün. Daarnaast alleen nnoorw. dial. skøyna (*< skaunian) ‘schuins afsnijdenʼ. Voor de germ. vormen *skauna, skūna zijn verder geen aanknopingen; zij behoren tot de groep van woorden, die met sk- beginnen en de bet. van ‘schuinʼ hebben, zoals ook scheef, scheel, schenkel, schenken (in het on. nog meer voorbeelden, vgl. AEW 483 onder skār). Het is niet onmogelijk dat deze woorden afl. zijn van de wt. *sek ‘snijdenʼ, een typisch woordelement van het primitieve bosbedrijf en dus alle op een bet. schuin afsnijden teruggaan. — Een afl. *skeu kan dan ook ten grondslag liggen aan nijsl. skӯla ‘schuins afsnijdenʼ, on. skӯlihogg ‘schuinse slagʼ, skolbeinn ‘scheefbenigʼ, skolbrūnn ‘met scheve wenkbrauwenʼ. — Een afl. van schuin is schuins, vgl. nnd. schüns. Met nl. kolonisten overgebracht naar het gebied van de Weichselmonding als schīns ‘rechtopʼ (vgl. Mitzka, Album Blancquaert 1958, 220). — Onzeker is de ontlening in me. asquint (sedert ± 1230) en askoyne (sedert 1430), vgl. Toll 63-65.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schuin bnw., schuins bijw., waarvan weer schuinsch bnw., sedert Kil., editie 1642: schuyn “transversus, obliquus”. = ndd. schün “schuin”. De dial. vormen (Vel. šuens, Goer. schuins: schüntǝ, Maastr. šöins enz.) maken de beoordeeling niet gemakkelijker. Sommige vormen zouden op *skujina- kunnen wijzen eer dan op *skûn(i)a- of *skiunia-, die toch echter waarschijnlijker zijn met ’t oog op noorw. dial. skøyna (*skaunian) “schuin snijden”. De ndl. dial. vormen zijn dan door ontl. onderling en uit ’t Beschaafd te verklaren. Een formantische variant van sku-n-, skeu-n- in on. skŷla “schuins houwen”; on. skol-beinn “met scheeve beenen” kan hierbij, maar ook bij scheel II hooren. Met schuit van een basis s(e)qū̆- “hakken, snijden”? Zie bij schuren.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schuin(sch bijv., + Ndd. schün(s): oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sjuins (bn.) schuin; Nuinederlands schuyn <1599>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

schuin bn.: zie schuine bol*.
— : bn., bw., (ook:) grappig; markant, pittig; dubbelzinnig. - Etym.: In AN is thans de enige min of meer overeenkomstige bet. ’grappig met betrekking tot het sexuele’ in de combinatie ’een schuine mop’ o.i.d. - Zie ook: schuins*.
— : schuine woorden (mv.), grapjes; zegswijzen; ’bon mots’; woordspelingen. Alle mensen lachten, maar ik kon die schuine woorden van de directeur niet begrijpen.

schuins bw., dubbelzinnig. Je moet voorzichtig zijn met die mannen, ze denken schuins. - Etym.: In AN veroud., vrijwel alleen nog in ’schuinsmarcheerder’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

skuins: b.nw. en bw., skeef; Ndl. schuin/schuins(ch) as b.nw. en schuins as bw. – vandaar Ndl. afl. schuinte, dial. schünte, Afr., soos by Trig schuinste, dan ook skuinste (v. Scho TWK/NR 7, 2, p. 26), herk. onseker.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schuin ‘scheef’ -> Duits dialect schins ‘scheef’; Japans † sukoine ‘scheef’; Negerhollands skeens ‘scheef’; Papiaments skeins, skùin ‘scheef’; Sranantongo skoinsi ‘scheef, dubbelzinnig, heimelijk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schuin* scheef 1599 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1322. De lamp hangt (of staat) scheef (schuins of voorover),

d.w.z. er is geldgebrek, men zit op zwart zaad; wanneer er nog weinig olie in de (bak)lamp zit, dan wordt deze scheef gehangen, om zoodoende de pit, het lemmet, er nog in te kunnen laten hangen. Vgl. Amst. 173: 't Is Vrijdag zie je, en dan moet de lamp wel schuins staan, dat begrijp je. Ik heb zeven gulden in de week en we bennen met z'n zessen; Boefje, 70: As dan de lamp voor over hing, zooas tegeswoordig met die slapte van werrek; Nest, 52: Ik was bij haar om wat te leenen, want ordinair staat bij me de lamp voorover; Ppl. 2: De lamp staat weer on de schuinte; Zondagsblad van Het Volk, 8 Febr. 1913: Nou, m'n moeder was toen net van onze Fie in de kraam gewest en de laamp 'ing erg veurover thuis. Veul erremoei, meneer! S.M. 97: Jelui moest me dat bagatel leenen tot de volgende maand; 't is nou de achtentwintigste en de lamp staat erg schuin bij me; Nkr. VI, 23 Maart, p. 6: En òver houd ik nooit, 'k wou dat ik zóó'n genie was; den vierden van de maand hangt onze lamp al scheef en vraag 'k mij zelf steeds af: waar mijn salaris bleef? Jord. II, 82: Maar het hakkelende kleutertje kon niets van zijn berooiden vader loskrijgen, omdat die zelf nog geen zakgeld van Nel had toebedeeld gekregen en op Vrijdag.... de lamp voorover stond. Vgl. verder Het is huilen en de lamp vasthouden, 't ziet er treurig uit. Zie Er is geen olie meer in de lamp .

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut