Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schuilen - (verborgen zijn)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

schuilen ww. ‘verborgen zijn’
Mnl. sculen ‘verborgen zijn, zich verbergen’ [1240; Bern.], Dar inne so scuvldi bi daghe ‘daarin verborg hij zich overdag’ [1285; VMNW], hi ... scuelde dien rein ... Onder enen boem ‘hij verborg zich voor de regen onder een boom’ [1300-50; MNW-R], eersamen rade, Daer in en scuilt ... Verranesse noch valscheit ‘verstandig overleg, daarin schuilt verraad noch bedrog’ [1374; MNW-R].
Mnd. schulen; mhd. scūlen (maar al ohd. in de afleiding scūlinga ‘schuilplaats’); nfri. skûlje; on. skýla (nzw. skyla); alle ‘verborgen zijn, zich verbergen’, < pgm. *skūlijan-, *skeulijan-, afleiding van *skūla-, *skeula-, *skeulōn- ‘schuilplaats’, waaruit: mnd. schūl, schule; ofri. skūl(e) ‘schuilplaats’ (nfri. skûle), sket-skiāle ‘veestal’; on. skjól (nzw. skjul ‘schuur, schuilplaats’).
Men reconstrueert pie. *skuH-l-, *skeuH-l-, een uitbreiding van de wortel *(s)keuH- ‘bedekken, omhullen’ (IEW 951). Hiermee verwant zijn de Nederlandse woorden → schoen en → schuur, en zonder s-mobile wellicht → huis, → hut, → huid en → huif. Buiten het Germaans zijn wrsch. verwant: Grieks skúlos ‘gestroopte dierenhuid’; Oudiers cūl ‘verborgen plaats, hoek’. Latijn -scurus in obscūrus ‘verborgen’ hoort hier wrsch. niet bij, zie → obscuur. Ook Sanskrit skunā́ti (onduidelijke betekenis), skunóti ‘hij steekt, scheurt’ is niet verwant (Mayrhofer).
De algemene betekenis ‘verborgen zijn’ kon vroeger zowel op personen als op zaken betrekking hebben. Met een persoon als onderwerp is de betekenis verschoven tot ‘zich beschutten tegen neerslag’. Voor personen bestaat daarnaast de afleiding zich verschuilen ‘zich verbergen’. Onder invloed van de sterke werkwoorden uit de tweede klasse wordt schuilen ook sterk vervoegd (de zon school achter de wolken [1917 WNT]).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schuilen* [zich verbergen] {schu(y)len 1201-1250} middelnederduits, middelhoogduits schulen, oudfries skul [schuilplaats], oudnoors skjōl [idem]; buiten het germ. grieks skuloō [ik verhul], skulos [dierenhuid], oudiers cúil [hoek], van dezelfde i.-e. stam met de betekenis ‘bedekken’, waarvan ook huid en schuur stammen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schuilen ww., mnl. scûlen (meestal zwak) ‘schuilen, verborgen zijn, zich bergenʼ, mnd. schūlen (zwak) ‘verborgen zijn, zich verbergen, loerenʼ, mhd. schūlen (zwak) ‘verborgen zijnʼ (vgl. ohd. scūlinga v. ‘schuilplaatsʼ) — on. skjōl o. ‘schuilplaats, bescherming, schuurʼ, skӯli ‘schuilplaatsʼ. — Zie ook: schuil.

Van de idg. wt. *(s)keu ‘bedekkenʼ, vgl. on. skjā (< *skeu̯ā) ‘schuurʼ; os. scio, oe. scīo, on. sky (< *skeu̯io-) ‘wolkʼ; ohd. scuwo, scū, oe. scuwa, scua, on. skuggi ‘schaduwʼ; verder on. skaun v. ‘schildʼ en mnd. schummer ‘schemeringʼ, on. skūmi o. ‘schemeringʼ. Daarvan zijn de volgende afl. in het nl. aanwezig:
met dentaal:
*(s)keut zie: huid
met gutturaal zie: schoen
met l zie: schuilen
met r zie: schuur
met s zie: huis(?).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schuilen ww., mnl. scûlen (gew. zwak) “schuilen, verborgen zijn, zich bergen”, in ’t N.Holl. sedert de 16. eeuw ook trans. = “opbergen”. = mhd. schûlen (zwak) “verborgen zijn” (ohd. al scûlinga v. “latebra”), mnd. schûlen (zwak) “verborgen zijn, zich verbergen, loeren”. Hierbij ’t znw. schuil (in schuilgaan, nog niet bij Kil., uit te schuile gaan, vgl. achterh. in de schûle staan, “beschut staan”), vla. schuile “regenscherm”, mnd. schûl o., schûle v. “schuilplaats”, ofri. skûl “schuilplaats”, fugel-skûl(e) v. “vogelhut”, met ablaut ofri. sket-skiâle v. “veestal”, on. skjôl o. “schuilplaats, beschutting, klein gebouwtje”, waarbij skŷla “beschermen”. De basis (s)qeul-, (s)qū̆l- heeft zich wsch. ontwikkeld uit nomina als gr. skũlon “wapenrusting, den gedooden vijand afgenomen”, skúlon “huid”, ier. cûil “secessus”, die met de primaire nominale formantia -lo-, -li- van de bij huid besproken basis (s)qū̆- komen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schuilen ono.w., Mnl. sculen + Ndd. schulen, Mhd. schûlen, Meng. sculen, On. skýla (Zw. id., De. skjule): van denz. wortel als schuur.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

sjoelen, ww.: schuilen. Heterofoon van schuilen.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

schulen (GG: K), ww.: sluimeren, soezen. Vroegnnl. schulen, zwimelen, bicans in slape zijn ‘chommer, applommer’ (Lambrecht), schuylen ‘leviter dormire, dormitare’ (Kiliaan). Mnl. sculen, Mnd., Mhd. schulen ‘schuilen, verborgen loeren’. Het betekenisverband met ‘schuilen’ is niet duidelijk, tenzij misschien dat slapen enigszins ‘beschutting zoeken’ is.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

schuilen (schuilde, heeft geschuild), 1. zich verbergen. Nu moeten we achter een bosje gaan schuilen, zei Armand, want anders komen ze [te vangen vogels] niet (Maynard a: 27). - 2. verstoppertje (spelen). Djompovoetoe* wordt nu nog een beetje* gespeeld. Maar ’eile’* en ’kribritiki’* en ’schuile’, no brada [S, nee, broeder], dat is er allemaal niet meer bij (WS 4-8-1982). - 3. de schaduw opzoeken. - Etym.: In AN in bet. 1 veroud., behalve in enkele vaste combinaties, bijv. ’daar schuilt een addertje onder het gras’. Nu in AN ’beschutting zoeken’. - Syn. van 2 schuiltje* (spelen).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schuilen, van den Idg. wt. sku = bedekken, dekken, beschermen. Zie Schuur.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schuilen* zich verbergen 1240 [Bern.]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)keu-2, (s)keu̯ǝ : (s)kū- ‘bedecken, umhüllen’, auch mit zahlreichen Erweiterungen: (s)kū-lo- ‘Versteck, Hinterteil’, skū-ro- ‘Schutz, Hülle’, (s)kū̆-ti- ‘Haut’, ku-z-dho- ‘Versteck, Höhlung’

Ai. skunāti, skunṓti, skāuti ‘bedeckt’; unsicher ku-kūla- ‘Hülsen, Rüstung’, pāṃsu-kūla- ‘Lumpenkleid der buddhist. Mönche’;
arm. c̣iw ‘Dach, Decke’ (*skēu̯o-); mit anl. kh-: arm. xuc̣ ‘Stube’ (*khū̆-sk̑ho-, allenfalls zur s-Erw.), fraglicher xavar ‘dunkel’ (*khou̯o-, Formans arm. -ar), xu-p’ ‘Deckel’, xul, xlik ‘Hütte’, xlay (*khū̆lati-) ‘weibliche Kopfverhüllung, Schleier; Kleid’;
gr. σκύ̄νια Pl. ‘Brauen’, ἐπισκύνιον ‘Haut oberhalb der Augenbrauen’ (vgl. ai. skunā́ti); σκύλος n. ‘Tierhaut, Schale’, σκύλον ‘abgezogene Tierhaut’, σκῦλον ds. ‘dem Feind abgenommene Rüstung’; unsicher κῶας, Pl. κώεα ‘Fließ’;
lat. obscūrus ‘*bedeckt’ = ‘dunkel’; cūlus ‘der Hintere’;
air. cūl m. ‘Rücken, Hinterteil’, cymr. cil ‘Rücken’; air. cūl (*kū-lā-) f. ‘Winkel, Versteck’ = cymr. usw. cil, ysgil ‘Versteck’; ir. cuarān, cymr. curan ‘Schuh’; vielleicht kelt.-lat. cucullus ‘Kapuze’ (vgl. oben ai. ku-kūla-?);
aisl. skjā f. ‘Scheuer’ (*skeu̯ā), wohl auch aisl. f. ‘Haut’ in hross-hā u. dgl. (*skou̯ā), skāli ‘Hütte, Zimmer’ (germ. *skawalan-); skȳ n. (*skeui̯o-) ‘Wolke, Verdunklung’, ags. scīo, as. scio ‘Wolke’; ags. scu(w)a m. ‘Schatten, Dunkel, Schutz’, ahd. scuwo, scū m. ‘Schatten’, scū-c(h)ar n. ‘Spiegel’, eigentlich ‘Schattengefäß’, aisl. skuggi m. ‘Schatten, Spiegelbild, Gespenst’, skugg-sjā f. ‘Spiegel’, got. skuggwa m. ‘Spiegel’; ahd. skugin(a), mhd. schiune, nhd. Scheune (‘Obdach’), norw. dial. skyggne m. ‘Hütte, Schlupfwinkel’; aisl. skaun f. (oder skaunn m.) ‘Schild’; norw. skūme ‘dunkel’, aisl. skūmi m. ‘Dämmerung’, mnd. schummer ‘Dämmerung’ (: lett. skumt); aisl. hūm n. ‘Zwielicht’, PN. Hymir ‘Verdunkler’; vielleicht ahd. scūm ‘Schaum’ (wenn ‘deckendes’);
aisl. skjōl n. ‘Versteck, Zuflucht, Schutz, Scheune’, skjōla ‘Bütte, Kübel’, (‘Verwahrungsraum’), ablautend aisl. skȳli, mnd. schūle n. ‘Versteck’, afries. skule ‘Hütte’; aisl. skȳla ‘beschützen’, mhd. schūlen ‘verbogen sein, lauern, lugen’;
ahd. scūr m. ‘Wetterdach, Schutz’ (: lat. obscūrus), mhd. schūr ‘Obdach, Schirm’, aisl. skūr f. ‘Haut der Mandel’, ahd. skūra, sciura, (*skūrja) ‘Scheuer, Scheune’; mit Formans -ko-und Dehnstufe ō[u] wahrscheinlich got. skōhs, aisl. skōr, Pl. skūar, ahd. scuoh ‘Schuh’ (eigentlich ‘deckendes Oberleder des Schuhes’, vgl. oben ir. cūarān ‘Schuh’ und mndl. schoe ‘Schwertscheide, Futteral’);
lit. kẽvalas ‘Eierschale’, lett. čàula ‘Schale, Hülse’; lett. kūja ‘weibliche Scham’; lett. skaût ‘umarmen’, skumstu, skùmt ‘traurig werden’ (‘obscurāri’); aber lit. skūrà ‘Leder, Baumrinde’, lett. skura ‘Hülse’ aus weißruss. skyra.
A. Dentalerweiterungen (bzw. Bildungen mit Dentalformantien):
(s)keu-t-:
Gr. σκῦτος n. ‘Haut, Leder’, ἐγκυτί, ἐγκυτίς ‘bis auf die Haut’, κύτος n. ‘Hülle, Haut’ und ‘Gefäß, Urne, Höhlung’, κυτίς ‘kleiner Kasten, Büchse’, κυσός· ἡ πυγή; ἤ γυναικεῖον αἰδοῖον Hes.; (*κυτ-ι̯ος oder *κυθ-ι̯ός), κύτ(τ)αρος ‘Höhlung, Wölbung, Bienenzelle, Eichelnapf’, κύσσαρος ‘ānus’ (*κυτϝαρος); über lat. cuturnium ‘vas, quo in sacrificiis vinum fundebatur’ s. WH. I 320;
lat. cutis ‘Haut’; cunnus ‘pudendum muliebre’ (*kut-nos);
cymr. cwd ‘Hodensack’; mcymr. eskit, esgit, ncymr. esgid, corn. eskit, esgis ‘Schuh’ (*ped-skūti-);
aisl. hūð, ags. hȳd, ahd. hūt (*hūdi-) ‘Haut’ (schweiz. hut ‘Hülse, Fruchtschale’);
ahd. hodo, afries. hotha ‘Hode’; ags. hoðma m. ‘Finsternis’, ahd. hutta ‘Hütte’ (*kuti̯ā́ oder *kudhi̯ā: daraus as. hutta, huttia);
alit. kutỹs ‘Beutel, Geldkatze’; balt. *keutā ‘Haut’, apr. keuto, lit. kiáutas ‘Schale, Hülse’, dial. kẽvetas m. ds.; kiãvalas m. ‘Eierschale’ (*keu̯olo-), lett. čàula f. ‘Schale’, čàumala f. ‘harte Schale’ (Trautmann 132);
nasaliertes *kunti̯ō ‘bewahre’ vielleicht in aksl. sъkǫtati ‘beruhigen, stillen’, russ. kútatь ‘verhüllen’ usw., apr. -kūnti ‘pflegt’, Inf. pokūnst, pakūnst ‘bewahren’ und mit Intonationswechsel slav. *kǫta f. in aksl. kǫšta ‘σκηνή’, klr. kúča ‘Schweinestall’ (Trautmann 145).
(s)keudh-:
Ai. kuhara- n. ‘Höhle’, kuhaka- m. ‘Schelm, Gaukler, Betrüger’, kuhayate ‘betrügt’, kuhū́- f. ‘Neumond’ (‘der versteckte Mond’); pamir dial. skīð ‘hohe Mütze aus Schaffell’;
gr. κεύθω ‘verberge’, κεῦθος n., κευθμών ‘verborgene Tiefe’, κευθμός ‘verborgener Ort, Höhlung, Saulache’;
mir. codal ‘Haut’;
ags. hȳdan ‘verbergen’; hierher oder zu *skeut- got. skauda-(raip) Akk. Sg. ‘Schuh(riemen)’, aisl. skauð f. ‘Scheide’, Pl. ‘Vorhaut; Elender, Scheusal’, skjōða f. ‘Beutel, Sack’, mnd. schōde n. ‘Scheide’ (beim Pferd), f. ‘Schote, Erbse’, mhd. schōte ‘Schote, Samengehäuse’;
unklar ist lat. cūdō, -ōnis ‘Helm aus Fell’ (Lw.?); in der Bed. nahe steht av. xaōδa- m., ар. xaudā- ‘Hut, Kарре; Helm’.
В. Gutturalerweiterung (s)keu-k̑-:
Ai. kṓśa- m. ‘Behälter, Schatzkammer usw.’ (spät auch kóṣa-, das vielleicht ind. Entwicklung aus kṓśa- ist); unsicher kōśaka- m. n. ‘Ei, Hode, Gehäuse’, kuśapa- m. (unbelegt) ‘Trinkgeschirr’, kuśayá- m. (unbelegt) ‘Zisterne’; kukṣí- m. ‘Bauch, Mutterleib, Höhlung’; npers. kus ‘weibliche Scham’; av. kusra- ‘sich wölbend, hohl’, vīkusra-, hankusra- ‘sich auseinander-, zusammenwölbend’;
lit. kūšỹs (Plur. kūšỹs), lett. kũsis, kũsa ‘weibliche Schamhaare’ (*kūki- oder *kūksi-); lit. kiáušė ‘Hirnschale, Schädel’, kiaũšis ‘Ei, Hode’, preuß.-lett. ḱaušis ‘Ei’; lit. káušas ‘großer Schöpflöffel’, lett. kaûss ‘Schüssel, Kochlöffel’.
C. s-Erweiterung (s)keu-s-:
Vielleicht ai. koṣṭha- m. n. ‘Behälter, Unterleib, Vorratskammer’ u. dgl., kuṣṭha- m. ‘Lendenhöhle’ (?), kúṣṭhikā ‘Inhalt der Gedärme’, npers. kušt ‘Weichen’ (arm. Lw. kušt ‘Bauch, Weichen, Leib’);
gr. κύστις, -εως, -ιδος ‘Harnblase, Beutel’, κύσθος ‘weibliche Scham’;
unsicher lat. custōs ‘Wächter’, vgl. WH. I 319;
cymr. cwthr ‘After, Mastdarm’ (*kuzdhro-);
aisl. hauss m. ‘Hirnschale’; ablaut. norw. dial. hūse m. ‘Fischkopf’, ahd. hūso ‘Hausen’, nach dem mit Schildplatten gepanzerten Kopf;
nhd. dial. hosen ‘Hülse, Schote’, ags. hosa m. ‘Strumpf, Hülse’, aisl. ahd. hosa ‘Hose’;
vermutlich hierher got. aisl. ags. as. ahd. hūs ‘Haus’, vgl. nd. hūske ‘Kerngehäuse, Futteral, Tüte’ u. dgl.;
got. huzd, aisl. hodd f. (?), ags. as. hord, ahd. hort ‘Schatz, Hort’ (*kuz-dho- = gr. κύσθος); schwed. hydda ‘Hütte’, dial. hodda, hudda ‘Schuppen, Gefängnisraum’, aschw. hydda ‘verbergen’.

WP. II 546 ff., WH. I 298 f., 301, 309, 319, 320, II 196, 503, Trautmann 132, 145.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal