Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schuchter - (bedeesd)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2011-), Etymologiewiki

Een veel oudere, kennelijk onafhankelijke ontlening is het gebruik van het woord schusteren 'wegjagen' in de Deux-Aësbijbel (1562): "Wie onder de vogelen worpt, die schuchtertse wech" (Wie iets tussen vogels werpt, die jaagt ze weg).

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schuchter bn. ‘bedeesd’
Nnl. schuchter ‘bedeesd, verlegen’ in De brakken ... spreiden schrik en dood door 't schuchtre woudgezin ‘de drijfhonden verspreiden schrik en dood onder de schuwe woudbewoners’ [1805; WNT woud I].
Ontleend aan Hoogduits schüchter ‘bedeesd, verlegen (van mensen)’ [16e eeuw; Kluge] (nu schüchtern), eerder al bij Luther schüchter, schochter ‘schuw gemaakt (van dieren)’ [1500-50; NEW], afgeleid van Middelnederduits schüchtern ‘wegjagen, uiteenjagen, schuw maken’, afgeleid van een stam die ook ten grondslag ligt aan → schuw.
Eerder al bestond het ww. verschuchteren ‘schuchter maken, wegjagen, verjagen (van dieren)’ [1562; WNT], dat ontleend zal zijn aan Hoogduits verschüchtern en dat allang niet meer wordt gebruikt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schuchter [bedeesd] {1803} < hoogduits schüchter (thans schüchtern), van middelnederduits schüchtern [wegjagen]; behoort bij schuwen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schuchter bnw. eerst in de 19de eeuw < nhd. schüchter naast schüchtern, sedert Luther schüchter, schochter ‘schuw gemaaktʼ uit md. schuchteren ‘wegjagen, schuw makenʼ, westf. schücht ‘schuwʼ. — Zie verder: schuw.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schuchter bnw., nog niet bij Kil. Ontl. uit ouder-nhd. schüchter (nu schüchtern). Bij schuwen. Vgl. mnd. schuchteren ww. “verjagen, uiteenjagen”, bnw. “uit elkaar gejaagd, schuchter, schuw”, westf. schücht “schuw”. Voor de formatie vgl. vluchten: mnl. vlien.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schuchter bijv., + Hgd. schüchtern: een afleid. van schuwen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

skugter b.nw.
1. Bedeesd. 2. Bang om die aandag te trek.
Uit Ndl. schuchter (1803 in bet. 1).
Ndl. schuchter uit Nieuhoogduits schüchter (van die 16de eeu af schüchteren) 'sku gemaak' uit Middelnederduits schüchteren 'wegjaag'.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

schuchter (Duits schüchtern)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schuchter is een afl. van schuwen: bang voor iets zijn.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schuchter bedeesd 1803 [Toll.] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut